Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Oevermaina
Oevermaina | Acridotheres ginginianus
Bank Myna | Miná ribereño
De oevermaina is een grijze maina met een rode oogvlek uit de Gangesvlakte, die in het gidsgebied alleen voorkomt als ingevoerde soort. In de Golfstaten leeft hij in kleine, plaatselijke populaties in parken, op boerderijen en rond markten, vaak samen met de treurmaina.
Geluid
Een babbelende, rommelige reeks fluit-, kwetter- en krasgeluiden, zachter en hoger dan bij de treurmaina; roept een schor tsjoek.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
21–23 cm. Iets kleiner en grijzer dan de treurmaina: lijf blauwgrijs, kop en een kort kuifje boven de snavel zwart, met een kale, steenrode tot oranjerode huid achter het oog en een oranjegele snavel en poten. In vlucht een okerkleurige vlek op de handpennen, een okerkleurige eindband aan de staart en een lichte, okergele ondervleugel. Jonge vogels zijn bruiner, met een bruine kop en een minder felle oogvlek.
Verwarringssoorten
De treurmaina (Acridotheres tristis) is warmbruin, met een gele oogvlek, een zwarte kop zonder kuifje en een witte (geen okerkleurige) vleugelvlek en witte staartpunten. De indiase eksterspreeuw (Gracupica contra) is zwart-wit met een witte wang.
Leefgebied
Rond menselijke bebouwing: parken, tuinen, boerderijen en irrigatieland, veemarkten, vuilstorten en parkeerplaatsen. In het oorspronkelijke areaal broedt hij in kolonies in holen in steile rivieroevers, waaraan hij zijn naam dankt; in de Golfstaten in gaten in muren, palmen en gebouwen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Uitsluitend geïntroduceerd. In Koeweit gevestigd sinds ongeveer 1980, met kleine standpopulaties, vooral bij de boerderijen van Jahra en langs de kustweg van Koeweit-Stad; ook in de Verenigde Arabische Emiraten ingevoerd. Van daaruit uitgebreid naar Oman, vooral de Batinah en Muscat, en naar Oost-Saoedi-Arabië, met losse vogels in Bahrein en Qatar. Overal plaatselijk en veel schaarser dan de treurmaina; de aantallen schommelen van jaar tot jaar. Het natuurlijke areaal omvat Pakistan, Noord- en Midden-India, Nepal en Bangladesh.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Koeweit bij de boerderijen van Jahra, in de Emiraten in parken en op boerderijen rond Dubai en Abu Dhabi: zoek tussen groepjes treurmaina's naar een grijzere vogel met een rode oogvlek en een kuifje.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een exoot die niet uit het gebied zelf afkomstig is; de populaties zijn klein en wisselend, maar als holenbroeder kan hij concurreren met inheemse soorten.
Wetenschappelijke naam
Acridotheres ginginianus | (Latham, 1790)
Latham beschreef de soort in 1790 als Turdus ginginianus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acridotheres werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Acridotheres is Grieks, van akris, genitief akridos, 'sprinkhaan', en thērēs 'jager'. ginginianus verwijst naar Gingee (Gingi), een plaats in Tamil Nadu in India. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nadia in West-Bengalen, India.

