Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Nachtzwaluw

Nachtzwaluw | Caprimulgus europaeus

Eurasian Nightjar | Chotacabras europeo

De bekende nachtzwaluw van Europa en Azië, in het gebied broedvogel van de bergbossen van de Maghreb en de Levant en daarbuiten vooral een doortrekker die op weg naar en van Afrika overal kan opduiken, van de Sinaï tot de Golfstaten.

Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus)
Foto: mourad-harzallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een aanhoudende, droge ratel, errrrrrrrr, die minutenlang doorgaat en om de paar seconden van toonhoogte wisselt. Begint kort na zonsondergang. Bij het opvliegen een nasaal koe-ik, vaak met vleugelklappen. Doortrekkers zijn meestal stil.

Luister: ZangXC1162852

Opname: Benjamin Drillat — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Langvleugelig en langstaartig, met platte kop, grote zwarte ogen en een minuscule snavel boven een brede bek. Grijsbruin met fijne kriebeltekening, een donkere streep over de schouders en een lichte mondstreep. Het mannetje heeft witte vlekken op de drie buitenste handpennen en witte staarthoeken; bij het vrouwtje ontbreken die. De oostelijke ondersoorten die door Arabië trekken (unwini, plumipes) zijn bleker en grijzer dan de Europese vogels. In vlucht valkachtig, wiegend en geluidloos.

Verwarrings­soorten

De Moorse nachtzwaluw (Caprimulgus ruficollis) is groter en bleker, met een roestbruine halskraag en een grote witte keelvlek. De Egyptische nachtzwaluw (Caprimulgus aegyptius) is egaal zandkleurig zonder donkere schouderstreep en met weinig wit. De Nubische nachtzwaluw (Caprimulgus nubicus) is kleiner, met een roestige nekband en grote witte vleugelvlekken bij beide geslachten.

Leefgebied

Broedt in lichte bergbossen van ceder, eik en pijnboom met open plekken, kapvlakten en heide, in de Atlas tot boven 2.000 m, en in de Levant in garrigue en open eikenbos. Op trek in allerlei landschap: oases, palmtuinen, parken, struweel in wadi's en zelfs de kale woestijn, waar hij overdag onder een struik op de grond rust.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko in de Rif en de Midden- en Hoge Atlas, in Noord-Algerije in de Tell-Atlas en de Aurès, in Noord-Tunesië en in kleine aantallen in Noordoost-Libië (Jebel Akhdar). In het oosten broedt hij in Noord-Israël (Galilea, Karmel, Golan), Libanon, West-Syrië, het noorden van Jordanië en in de bergen van Koerdistan in Noord-Irak. Op trek verschijnt hij in het hele gebied: talrijk in Egypte en de Sinaï, door de Jordaanvallei en de Arava, en verspreid over het Arabisch Schiereiland van Koeweit tot Oman en Jemen, vooral in april–mei en september–oktober. Daarbuiten broedt hij van Europa tot Mongolië en overwintert hij in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de cederbossen rond Ifrane en Azrou in de Midden-Atlas snort hij op juni-avonden aan de bosranden. Op trek vind je hem overdag rustend in de palmtuinen en struiken rond Eilat en in de oases van de Sinaï; in Arabië zijn parken en kustbossen bij een vroege ochtendwandeling goede plekken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa sterk achteruitgegaan. In het gebied zijn de broedpopulaties klein en kwetsbaar door verlies en versnippering van bergbos, overbegrazing en verkeersslachtoffers; voor doortrekkers is de achteruitgang van grote insecten een probleem.

Wetenschappelijke naam

Caprimulgus europaeus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus voerde hij in datzelfde werk in. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. europaeus is Latijn voor 'Europees'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.