Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Monniksparkiet

Monniksparkiet | Myiopsitta monachus

Monk Parakeet | Cotorra argentina

De monniksparkiet is de enige papegaai die zelf een nest van takken bouwt, vaak een gemeenschappelijk bouwwerk waarin verschillende paren elk hun eigen kamer hebben. De soort komt uit Zuid-Amerika en is in het gidsgebied een exoot, met verreweg de grootste stand in Israël.

Monniksparkiet (Myiopsitta monachus)
Foto: Life is strange2 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, rauw en wat blaffend kwak-kwak-kwarr, lager, schorrer en onregelmatiger dan het schelle gekrijs van de halsbandparkiet. Bij de kolonie de hele dag gekwetter en gekras, ook uit het nest zelf.

Luister: RoepXC1180049

Opname: Joan Theng — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

28–30 cm, spanwijdte 48–53 cm. Gedrongen, betrekkelijk kortstaartige parkiet. Voorhoofd, wangen en keel lichtgrijs, de borst grijs met een fijne schubtekening door lichtere veerzomen; dat grijze kapje met de geschubde borst is het sluitende kenmerk. Bovendelen en staart helder grasgroen, de buik geelgroen, de slagpennen diepblauw. De snavel is oranjebruin tot hoornkleurig, nooit rood. In vlucht valt het blauw van de slagpennen op; de staart is wigvormig en korter dan bij de andere parkieten. Man en vrouw zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De halsbandparkiet (Psittacula krameri) is slanker en feller groen, met rode snavel, een veel langere spitse staart en geen grijs op kop en borst. De grote alexanderparkiet (Psittacula eupatria) is nog groter en langer gestaart, met zware rode snavel en een roodbruine schoudervlek. Beide broeden in boomholten; alleen de monniksparkiet bouwt een takkennest.

Leefgebied

Vrijwel volledig gebonden aan bebouwd gebied en de directe omgeving: stadsparken, lanen met palmen en eucalyptus, tuinen, sportvelden, boomgaarden en irrigatielandbouw aan de stadsrand. Het nest hangt hoog in een palm, eucalyptus of naaldboom, of in het staalwerk van een licht- of hoogspanningsmast. Foerageert veel op de grond op zaden, en verder op fruit, bloesem en gewassen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Het natuurlijke areaal ligt in het zuidelijke midden van Zuid-Amerika, van Bolivia en Zuid-Brazilië tot Argentinië; de soort is in het gidsgebied dus niet inheems. De stand gaat terug op ontsnapte en losgelaten kooivogels. In Israël sinds het eind van de twintigste eeuw gevestigd en sterk toegenomen, vooral in de kustvlakte rond Tel Aviv en in de Sharon, en verder in Samaria en Judea. In Marokko kleine kolonies in en rond Tanger, Casablanca, Rabat en in het noordoosten; in de Emiraten kleine aantallen in Dubai en Abu Dhabi. Elders in het gebied alleen losse ontsnapte vogels. Daarbuiten ingeburgerd in Zuid-Europa, de Verenigde Staten en elders.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek het nest, niet de vogel: een donkere, rommelige takkenbol hoog in een palm of tegen een mast in een park in Tel Aviv of een andere stad in de Israëlische kustvlakte. Bij het nest zitten vrijwel altijd vogels, en vaak zie je de geschubde borst van dichtbij.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; in Zuid-Amerika plaatselijk een landbouwplaag. In het gidsgebied een exoot. In Israël veroorzaken uitheemse parkieten aanzienlijke schade aan fruitteelt en gewassen, en nesten op elektriciteitsmasten kunnen storingen geven. Mogelijke concurrentie met inheemse vogels is nauwelijks onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Myiopsitta monachus | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Psittacus monachus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiopsitta werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Myiopsitta verbindt het Griekse mus, muos 'muis' met het Neolatijnse psitta 'papegaai', naar het muisgrijze gezicht en de muisgrijze onderdelen. monachus is Laat-Latijn voor 'monnik'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Montevideo in Uruguay.