Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Monniksgier
Monniksgier | Aegypius monachus
Cinereous Vulture | Buitre negro
De monniksgier is de grootste roofvogel van het gebied en een van de zwaarste vliegende vogels ter wereld: een zwartbruine reus met brede, rechte vleugels. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten is hij alleen een schaarse wintergast en zwerver, maar uit de herstellende Spaanse populatie steken jonge vogels steeds vaker de Straat van Gibraltar over.
Geluid
Vrijwel stil; bij het aas krassend en sissend, en een schor, gorgelend gekras bij ruzies.
Opname: Thomas SIGNEAU — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
100–115 cm, spanwijdte 250–295 cm. Egaal zwartbruin met een kale, blauwgrijze tot roze kop met een donker masker rond oog en snavel, en een donkerbruine, wollige halskraag. De snavel is zeer zwaar, met een blauwige tot roze washuid. In vlucht een plank: lange, brede, recht afgesneden vleugels met zeven diep gespreide vingers, vlak of met iets afhangende handen gehouden, en een korte, iets wigvormige staart. De jonge vogel is gelijkmatiger zwart, met een donkerder kop en een roze washuid.
Verwarringssoorten
De vale gier (Gyps fulvus) is zandbruin met donkere slagpennen en houdt de vleugels in een ondiepe V. De oorgier (Torgos tracheliotos) is even groot, maar heeft een kale, roze tot rode kop met huidplooien, witte dijen en een smalle witte band langs de voorrand van de ondervleugel. Een donkere jonge Rüppells gier (Gyps rueppelli) heeft een lange, donzige hals en lichte banden op de ondervleugel. De steenarend (Aquila chrysaetos) is veel kleiner, met een langere staart en een duidelijk uitstekende kop.
Leefgebied
Foerageert boven open steppe, hoogvlakten en heuvelland met veeteelt en boven bergland; rust op rotsen en in hoge bomen. Komt bij kadavers en voederplaatsen samen met vale gieren, waar hij als grootste en sterkste huid en pezen openscheurt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko een zeldzame, maar toenemende gast in het noorden (Jbel Moussa en het Rifgebergte), afkomstig uit de Spaanse populatie; elders in de Maghreb zeer zeldzaam. In het Midden-Oosten een schaarse wintergast in Israël, Jordanië, Syrië, Irak en het noorden en westen van Saoedi-Arabië, met af en toe vogels tot in de Emiraten, Oman en Jemen; in Egypte vooral op de Sinaï. Broedt van Spanje, Griekenland en Turkije via de Kaukasus en Iran tot Mongolië en Korea.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in de winter bij voederplaatsen en grote kadavers in de Negev en op de Golan tussen de vale gieren naar een zwart, plankvormig silhouet. In Noord-Marokko let je er in voorjaar en najaar op tussen de trekkende vale gieren bij Jbel Moussa.
Staat van instandhouding
Gevoelig. Na een eeuw van achteruitgang door vergif en afschot herstellen de populaties in Spanje en Frankrijk, maar in het oosten van het areaal gaat de soort nog achteruit. In het gebied zijn vergiftigd aas, botsingen met hoogspanningslijnen en het gebrek aan kadavers de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Aegypius monachus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Vultur Monachus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aegypius werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Aegypius is Grieks (aigupios), de naam van een gierachtige roofvogel; volgens Aelianus hield de aegypius het midden tussen een gier (gyps) en een arend. monachus is Latijn voor 'monnik', naar de kale kop en de kraag van halsveren, die aan een monnikskap doen denken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Arabië.


