Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Meerkoet
Meerkoet | Fulica atra
Eurasian Coot | Focha común
Een gedrongen, geheel zwarte watervogel met een spierwitte snavel en voorhoofdsschild, die in de winter in enorme aantallen op de meren van Noord-Afrika, de Nijldelta en Irak verblijft. Op Ichkeul in Tunesië en de Egyptische deltameren gaat het om tienduizenden vogels; in Arabië is hij een schaarsere, maar toenemende gast.
Geluid
Een luid, kort kut of pitt en een explosief, hoog pix; daarnaast hese, trompetachtige roepen. In winterzwermen vaak een aanhoudend geroezemoes van roepen en gespetter bij ruzies.
Opname: Dag Österlund — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Volledig mat zwart, met een iets glanzender kop, een witte snavel en een wit voorhoofdsschild; oog rood. Poten grijsgroen met brede gelobde tenen. Zwemt laag met de kop knikkend en duikt met een sprongetje. Juvenielen zijn grijsbruin met een witte keel en voorhals en een kleiner schild. In vlucht een smalle witte achterrand aan de armvleugel.
Verwarringssoorten
De knobbelmeerkoet (Fulica cristata), in de Maghreb, heeft twee rode knobbels boven het schild (buiten de broedtijd klein en lastig te zien), een schild dat niet als een punt tussen de veren insteekt maar rond eindigt, geen witte vleugelrand en een iets langere hals. Het waterhoen (Gallinula chloropus) is kleiner, met een rood schild en een witte flankstreep. Juvenielen kunnen op een jonge fuut (Podiceps cristatus) lijken, die een dolkvormige snavel heeft.
Leefgebied
Open zoet en brak water met oeverbegroeiing en waterplanten: meren, stuwmeren, kustlagunes, visvijvers en de moerassen van Zuid-Irak. In de winter in grote groepen op open meren en lagunes, ook op beschutte zeebaaien en havens. Eet waterplanten, die hij opduikt, maar graast ook op oevers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko, Noord-Algerije en Tunesië, in de Nijldelta, in de Levant en Syrië en in Irak; op het Arabisch Schiereiland plaatselijk broedvogel bij stuwmeren en waterzuiveringen, onder meer in Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten. In de winter talrijk in de hele Maghreb, met vooral grote concentraties op Ichkeul en de Tunesische sebkha's, op de Egyptische deltameren Manzala, Burullus en Idku, in Israël en in de Iraakse moerassen. Schaars in Libië, Koeweit, de Golfstaten, Saoedi-Arabië en Oman, zeldzaam in Jemen. Verder van Europa en Noordwest-Afrika tot Oost-Azië, en in Australië en Nieuw-Guinea.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In december en januari zie je de grootste aantallen op Ichkeul en op de deltameren van Egypte, vaak samen met grote groepen eenden. In Marokko zijn de meren van de Middenatlas en de Merja Zerga ideaal om meerkoeten en knobbelmeerkoeten naast elkaar te vergelijken: let op de vorm van het schild en de afwezigheid van een witte vleugelrand bij de knobbelmeerkoet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het gebied wordt hij op veel wetlands bejaagd, vooral in de Nijldelta en Irak. Droogte, drooglegging en vervuiling van meren en lagunes werken plaatselijk sterk door, terwijl stuwmeren hem elders nieuwe kansen geven.
Wetenschappelijke naam
Fulica atra | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fulica voerde hij in datzelfde werk in. Fulica is het Latijnse woord voor 'meerkoet'. atra is Latijn voor 'zwart', naar het donkere verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


