Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Maskerduif
Maskerduif | Oena capensis
Namaqua Dove | Tortolita rabilarga
Een piepklein duifje met een lange, getrapte staart, dat in de jaren zeventig en tachtig het Arabisch Schiereiland veroverde en sindsdien noordwaarts en westwaarts blijft opschuiven, tot in Israël, Irak en de Westelijke Sahara. In de vlucht flitsen de roestbruine vleugels op.
Geluid
Een zacht, diep en weemoedig tweedelig koeren, koe-hoeoeoe, de tweede noot langgerekt en licht aanzwellend, herhaald met lange pauzes. Ondanks de lage toon ver hoorbaar en moeilijk te lokaliseren; het geluid is in de hitte van de middag vaak het enige dat uit het struikgewas komt.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en slank, met een lange, getrapte staart die meer dan de helft van de lengte uitmaakt. De bovendelen zijn zandig grijsbruin, de onderdelen lichter met een witte buik. Het mannetje heeft een zwart gezicht, keel en midden van de borst en een rode snavel met een gele punt. Het vrouwtje mist het zwarte masker en heeft een donkere snavel. Op de vleugel liggen enkele glanzend blauwpaarse vlekjes en over de onderrug lopen twee donkere banden. In vlucht tonen beide seksen roestbruine handpennen en ondervleugels. Jonge vogels zijn fijn gebandeerd met bruin en buff.
Verwarringssoorten
De palmtortel (Spilopelia senegalensis) is groter en kortstaartiger, roze met een gespikkelde halsband en blauwgrijze vleugelbocht, zonder roest in de vleugel. Een vrouwtje of jonge vogel kan in vlucht aan een kleine lijster of zandkleurige klauwier doen denken, maar de lange, wigvormige staart en de roestkleurige vleugels zijn uniek.
Leefgebied
Droog acacia- en doornstruweel, wadi's met struiken, akkerranden, dadelpalmtuinen en irrigatielandbouw in de woestijn, en de randen van dorpen en kampen. Foerageert op kale grond naar kleine zaden, vaak in paartjes of kleine groepjes; drinkt regelmatig. Langs de Rode Zee ook in mangrove.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Arabisch Schiereiland: wijdverbreid in Jemen, het westen en zuiden van Saoedi-Arabië, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten, en schaars tot zeldzaam in Qatar, Bahrein en Koeweit; het Arabische bestand werd rond 2000 op meer dan 60.000 paar geschat. Israël: tot halverwege de jaren negentig een schaarse broedvogel in de Arava, nu enkele honderden paren in de Riftvallei van Eilat tot het Hulameer, de Negev en langs de kust. Jordanië: in de Wadi Araba en bij Akaba. Egypte: broedt sinds 2012 in het zuidoosten, ook in de mangroven langs de Rode Zee. Irak: sinds 2004, met ongeveer 50 paren bij de Dalmaj-moerassen in 2012; in Syrië sinds 2003. Marokko: eerste broedgeval in 2016 bij Dakhla in de Westelijke Sahara. Elders in Noord-Afrika een zeldzame dwaalgast. Daarbuiten in heel Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Eilat en de Arava en bij Akaba zie je hem in de akkerranden en struwelen van kibboetsen en dadelplantages, vooral vroeg in de ochtend als paartjes langs de weg foerageren. In Arabië is hij in elke begroeide wadi te vinden; let op de roestkleurige vleugels als hij laag wegvliegt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in het gidsgebied toenemend. De uitbreiding hangt samen met de groei van irrigatielandbouw en tuinen in de woestijn. Nieuwe vestigingen aan de rand van het areaal zijn klein en kunnen weer verdwijnen.
Wetenschappelijke naam
Oena capensis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Columba capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oena werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Oena is Grieks, van oinas 'duif'. capensis verwijst naar de Kaap de Goede Hoop, waar het typemateriaal vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaap de Goede Hoop.


