Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Koperwiek

Koperwiek | Turdus iliacus

Redwing | Zorzal alirrojo

De koperwiek is de kleinste lijster van het gidsgebied en een noordelijke wintergast die hier de zuidrand van zijn winterareaal bereikt. In de Maghreb, de Levant en Noord-Irak verschijnen in koude winters groepjes in olijfgaarden en bosranden; in strenge winters op het Europese continent kan hij in grotere aantallen komen.

Koperwiek (Turdus iliacus)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een dun, gerekt en hees sieh of tsiieh, vooral 's nachts van trekkende vogels; daarnaast een kort, hard tsjup en een ratelend alarm. In de winter kwetteren groepen soms zacht vanuit een boom.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1184262

Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–23 cm. Een kleine, donkere lijster met een opvallende kop: een brede, roomwitte wenkbrauwstreep, een donkerbruine oorstreek en een lichte baardstreep. Bovendelen donker olijfbruin. Onderdelen wit met donkere lengtestrepen, die op de borst een dicht patroon vormen. Kenmerkend zijn de roestrode flanken en de roestrode ondervleugeldekveren, in de vlucht goed te zien. De snavel is donker met een geelachtige basis van de ondersnavel.

Verwarrings­soorten

De zanglijster (Turdus philomelos) mist de witte wenkbrauwstreep en de roestrode flanken en heeft een effen kop met vlekken in plaats van strepen; de ondervleugel is oranjebeige. De zwartkeellijster (Turdus atrogularis) heeft eveneens een roestkleurige ondervleugel, maar effen grijsbruine bovendelen, een grauwe kop zonder scherpe wenkbrauw en, bij vrouwtjes, een gevlekte halsband op witte onderdelen zonder roestrode flanken.

Leefgebied

In de winter olijfgaarden, boomgaarden, akkers met heggen, bosranden, maquis en parken, vaak samen met zanglijsters en kramsvogels. Foerageert op kort gras en open akkers naar wormen en insecten en eet veel bessen, onder meer van jeneverbes, hulst en meidoorn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Schaarse en onregelmatige wintergast in het noorden van Marokko (Rif, Midden-Atlas), het noorden van Algerije en Tunesië, in Libanon, Syrië, Noord-Israël (Hermon, Golan) en Noord-Irak; in koude winters talrijker. In Libië, Egypte, Jordanië en op het Arabisch Schiereiland (onder meer Koeweit, Saoedi-Arabië en de Emiraten) een dwaalgast. Broedt van IJsland en Scandinavië door Noord-Europa en Rusland tot Oost-Siberië; overwintert vooral in West- en Zuid-Europa, Turkije en de Kaukasus.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vooral na een koudegolf in Europa of Turkije: zoek in de olijfgaarden en bosranden van de Rif en de Midden-Atlas of in de bergen van Libanon naar troepjes zanglijsters en let op een kleinere vogel met een witte wenkbrauw en roestrode flanken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied gaat het om kleine aantallen; net als andere lijsters wordt hij in de Maghreb en de Levant gevangen en geschoten.

Wetenschappelijke naam

Turdus iliacus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus voerde hij in datzelfde werk in. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. iliacus is Latijn voor 'van de flanken', van ile, ilia 'flank, lies', naar de roestrode flanken en ondervleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.