Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Kauw
Kauw | Coloeus monedula
Eurasian Jackdaw | Grajilla occidental
Een kleine, sociale kraai met een grijze nek en een opvallend lichte iris. In het gidsgebied heeft hij twee gescheiden kernen: Noordwest-Afrika, waar hij in kloven en oude steden broedt, en de Levant tot Noord-Irak, waar de vorm met een zilverwitte halsvlek leeft.
Geluid
Een kort, metalig kjak of tsjak, in groepen druk en vrolijk herhaald; daarnaast een langer kjaa en zachtere geluiden bij het nest.
Opname: Clément Bruneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
30–34 cm. Zwart met een grijze achterkop en nek, een parelwitte tot lichtgrijze iris en een korte, dikke zwarte snavel. De oostelijke vorm in de Levant en Irak heeft een lichtgrijze nek en een zilverwitte vlek aan de halszijde; de Noord-Afrikaanse vorm is donkerder, met een minder contrasterende nek. Jonge vogels hebben een donkere iris en een doffere nek. Vliegt snel met vrij diepe vleugelslagen en heeft een korte staart; vaak in luidruchtige groepen, ook samen met roeken.
Verwarringssoorten
De alpenkraai (Pyrrhocorax pyrrhocorax) en de alpenkauw (Pyrrhocorax graculus) hebben een rode of gele snavel en rode poten. De roek (Corvus frugilegus) is veel groter met een kale snavelbasis. De huiskraai (Corvus splendens) aan de Golf- en Rode Zeekust heeft ook een grijze hals, maar is groter, met een zware snavel, een donkere iris en grijs tot op de borst.
Leefgebied
Rotswanden, kloven en steile rivieroevers, ruïnes, oude gebouwen, minaretten en stadsmuren, en het omliggende open land met akkers en weiden. Broedt in holtes in rotsen, gebouwen en bomen, vaak in kolonies. 's Winters zoeken groepen voedsel op akkers en vuilnisbelten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko in de Middenatlas en de Hoge Atlas, met broedkolonies in kloven en in steden en dorpen als Ifrane en Azrou, en plaatselijk in het noorden. In Algerije in de Tell en op de hoogvlakten van het noorden, onder meer rond Constantine. In de Levant in Israël (Golan, Hermon, Galilea, de Judese heuvels), Samaria en Judea, het noordwesten van Jordanië, Libanon en Syrië, en verder in Noord-Irak. 's Winters zwerven groepen rond en verschijnen enkele vogels zuidelijker, tot in Koeweit en Noord-Saoedi-Arabië; in Egypte dwaalgast. Daarbuiten broedt hij van Europa en Turkije tot West-Siberië en Centraal-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Israël broeden kolonies in de kloven en ruïnes van de Golan, zoals bij Gamla, en in de winter trekken grote groepen samen met roeken over de akkers van de Hulavallei. In Marokko zijn ze makkelijk te zien in Ifrane en Azrou en in de kloven van de Middenatlas.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De Noord-Afrikaanse populatie is klein en versnipperd en lijkt plaatselijk achteruit te gaan; in de Levant is hij in delen van zijn areaal afgenomen. Verlies van nestholtes bij restauratie of sloop van oude gebouwen speelt plaatselijk een rol.
Wetenschappelijke naam
Coloeus monedula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Corvus Monedula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coloeus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Coloeus komt van het Oudgriekse koloios, de klassieke naam voor de kauw. monedula is het Latijnse woord voor kauw, in verband gebracht met moneta 'munt, geld', naar de reputatie van de vogel dat hij glimmende dingen wegdraagt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


