Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Indische ralreiger
Indische ralreiger | Ardeola grayii
Indian Pond Heron | Garcilla india
De Aziatische tegenhanger van de ralreiger, een kleine, gedrongen reiger die in de zuidoosthoek van het gidsgebied de westgrens van zijn verspreiding bereikt. In Oman en de Emiraten is hij een vaste wintergast op waterzuiveringen, vijvers en kreken; in 2024 werd bij Muscat voor het eerst op het Arabisch schiereiland een broedgeval vastgesteld.
Geluid
Meestal stil. Bij opvliegen een schor, kort kraak of krek; bij de broedplaats keelachtig gekras.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, compacte reiger die in zit bruin en onopvallend oogt en bij het opvliegen plotseling vrijwel geheel wit wordt: vleugels, stuit en staart zijn wit. In winterkleed zijn kop, hals en borst zwaar bruin gestreept op een bleke grond en is de rug donker grijsbruin; de snavel is geelachtig met een donkere punt, de poten zijn groengeel. In broedkleed (vanaf maart) worden kop en hals egaal bleek okerbeige met lange witte kuifveren, en de rug diep kastanjebruin tot purperbruin. Jonge vogels lijken op het winterkleed maar zijn nog doffer en zwaarder gestreept.
Verwarringssoorten
De ralreiger (Ardeola ralloides) is in winterkleed nauwelijks te onderscheiden: hij is gemiddeld warmer en lichter bruin op de rug en fijner gestreept, maar zekerheid geeft alleen het broedkleed, waarin de ralreiger een warm okerbruine rug en een gele snavel met blauwe basis heeft. De Chinese ralreiger (Ardeola bacchus) heeft in broedkleed een kastanjebruine kop en hals en een leigrijze rug; in winterkleed is ook hij vrijwel gelijk. De koereiger (Ardea ibis) is ook in zit geheel wit. In vlucht kan hij aan de mangrovereiger (Butorides striata) doen denken, maar die heeft donkere vleugels.
Leefgebied
Waterzuiveringen, vijvers, overstroomde akkers, kanalen en greppels, slootkanten in dadelpalmtuinen en de randen van mangroven en kreken. Staat lang roerloos aan de waterkant of in de vegetatie en grijpt vissen, kikkers en insecten; minder schuw dan de ralreiger en vaak dicht bij mensen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Oman: vaste wintergast in kleine aantallen, vooral op de Batinah-kust, rond Muscat en in Dhofar (Salalah en de khawrs); in 2024 broedde een paar in het Al Ansab-moerasgebied bij Muscat, het eerste broedgeval op het Arabisch schiereiland. Verenigde Arabische Emiraten: schaarse maar vaste wintergast, met enkele vogels die het hele jaar blijven. Op Socotra (Jemen) jaarvogel; broeden is daar recent bevestigd. In Qatar, Bahrein en Koeweit een zeldzame gast of dwaalgast; Koeweit telt er slechts enkele gevallen van. Elders in Jemen en in Oost-Saoedi-Arabië zeldzaam. Daarbuiten broedt hij van Zuid-Iran en Pakistan door India en Sri Lanka tot Myanmar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Al Ansab bij Muscat en de khawrs rond Salalah zijn in de winter de meest betrouwbare plekken. Zoek langs de oevers van vijvers met dichte vegetatie: de vogels zitten vaak doodstil en vallen pas op als ze wit opvliegen. In maart en april zijn er vogels in broedkleed te zien, waarmee hij zeker van de ralreiger te onderscheiden is.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in zijn hoofdgebied algemeen. In het gidsgebied lijkt hij toe te nemen, geholpen door de aanleg van waterzuiveringen en kunstmatige wetlands in Oman en de Emiraten. Vogels in winterkleed die buiten Oost-Arabië opduiken zijn niet met zekerheid van de ralreiger te scheiden, waardoor zijn werkelijke voorkomen in het noorden onzeker blijft.
Wetenschappelijke naam
Ardeola grayii | (Sykes, 1832)
Sykes beschreef de soort in 1832 als Ardea Grayii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardeola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Ardeola is Latijn, een verkleinwoord van ardea 'reiger', dus 'reigertje'. grayii eert John Edward Gray (1800-1875), Brits zoöloog van het British Museum. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Deccan-plateau in India.


