Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Grote zilverreiger

Grote zilverreiger | Ardea alba

Great Egret | Garceta grande

Een grote, slanke witte reiger met een lange, geknikte hals, ter grootte van een blauwe reiger. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast, van de Marokkaanse merja's tot de mangroven van de Golf; als broedvogel is hij schaars en beperkt tot enkele grote moerasgebieden.

Grote zilverreiger (Ardea alba)
Foto: evergladesnps — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil; opgeschrikt een laag, rauw, ratelend krrra of grrak, dieper dan bij de blauwe reiger. In de kolonie diverse kwakende en rochelende geluiden.

Luister: VluchtroepXC1185827

Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Geheel wit, groot en slank, met een zeer lange, opvallend geknikte hals en lange poten. Buiten de broedtijd is de dolkvormige snavel geel en zijn de poten zwart, met geelachtige tenen en vaak ook een gelige onderpoot. In broedkleed wordt de snavel grotendeels zwart, het naakte huidveld bij het oog groen en draagt hij lange sluierveren op de rug, maar geen kuif. De mondhoek loopt duidelijk door tot achter het oog. In vlucht traag en statig, met de hals ingetrokken en de poten ver achter de staart uit.

Verwarrings­soorten

De kleine zilverreiger (Egretta garzetta) is veel kleiner, met een zwarte snavel, zwarte poten en gele tenen. De middelste zilverreiger (Ardea intermedia) is kleiner, met een kortere snavel, een rondere kop en een minder sterk geknikte hals; de mondhoek eindigt onder het oog. De koereiger (Ardea ibis) is veel kleiner en gedrongen. De witte vorm van de westelijke rifreiger (Egretta gularis) is kleiner, met een zware, licht gebogen snavel en donkere poten. Een blauwe reiger (Ardea cinerea) in tegenlicht kan bleek lijken, maar heeft grijze bovendelen en zwarte vleugelpunten.

Leefgebied

Rietmoerassen, open oevers van meren en rivieren, overstroomde graslanden en rijstvelden, visvijvers, kustlagunes en getijdenvlakten, in Arabië ook mangroven en kreken. Jaagt staand of langzaam schrijdend op vis, maar ook op muizen en grote insecten in droge velden. Broedt in kolonies in riet of in bomen, vaak samen met andere reigers en aalscholvers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Als broedvogel vooral in de moerassen van Zuid-Irak (Hawizeh, centrale moerassen en Hammar); in Egypte broedt hij in kleine aantallen in de Nijldelta en bij het Nassermeer. In de Maghreb broedt hij sinds enkele decennia in kleine aantallen in Noordoost-Algerije en plaatselijk in Marokko en Tunesië. In de winter verspreid in het hele noorden: de Marokkaanse merja's en Souss-Massa, Ichkeul en de Tunesische lagunes, de deltameren van Egypte, de Hula-vallei en de visvijvers van de Jordaanvallei, en de wetlands van Syrië. In Arabië een algemene wintergast langs de kusten van de Golf (Koeweit, Bahrein, Qatar, de Emiraten), in Oman en langs de Rode Zee, in kleinere aantallen in het binnenland en in Jemen. Op trek ook bij oases. Daarbuiten bijna wereldwijd, van Europa en Azië tot Afrika, Australië en Amerika; vogels in Oost-Arabië behoren deels tot de Aziatische vorm.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter zijn de visvijvers van de Hula-vallei en de Bet She'an-vallei in Israël, de deltameren van Egypte en de mangroven van Abu Dhabi en Khor Kalba in de Emiraten goede plekken, vaak met tientallen vogels samen. Vergelijk bij twijfel met een middelste zilverreiger altijd de lengte van de mondhoek.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Europa en Noord-Afrika sterk toegenomen na eeuwen van vervolging om de sierveren. In het gidsgebied bedreigen drooglegging van moerassen, verstoring van kolonies en jacht de kleine broedpopulaties; de Irakese vogels leden onder de drooglegging van de moerassen in de jaren negentig.

Wetenschappelijke naam

Ardea alba | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea voerde hij in datzelfde werk in. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. alba is Latijn voor 'wit'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Europa.