Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Houtsnip

Houtsnip | Scolopax rusticola

Eurasian Woodcock | Chocha perdiz

Een gedrongen, schuwe bosbewoner met een lange rechte snavel en een schutkleurig verenkleed dat hem op de bosbodem vrijwel onzichtbaar maakt. In het gidsgebied is hij een wintergast, vooral in de kurkeiken- en cederbossen van Marokko, Algerije en Tunesië en in de bossen van de Levant; in Arabië duikt hij slechts zelden op.

Houtsnip (Scolopax rusticola)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter meestal stil; bij het opvliegen hooguit een zacht, schor sjè en het geklapper van de vleugels. De baltsroep, een laag knorrend kworr-kworr gevolgd door een hoog pssiep, is in het gebied zelden te horen.

Luister: ZangXC1151784

Opname: Aku Kalliomäki — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en zwaar voor een snip, met een rond lichaam, korte poten en een lange, rechte snavel. De bovendelen zijn een fijn patroon van roestbruin, grijs en zwart als dood blad; over de achterkruin lopen dwarse zwarte banden, niet in de lengte zoals bij de snippen. De onderdelen zijn vaalbruin met fijne donkere bandering. Het oog staat hoog en ver naar achteren. In vlucht breed en rond gevleugeld met een uil-achtige, wat zwalkende vlucht, de snavel schuin naar beneden gehouden.

Verwarrings­soorten

Door de grootte, de dwarse kopbanden en het bosbiotoop nauwelijks te verwarren. De watersnip (Gallinago gallinago) en de poelsnip (Gallinago media) zijn kleiner en slanker, hebben lengtestrepen over kop en rug en leven in open moerassen. Een opvliegende houtsnip kan in het bos even aan een duif of een kleine uil doen denken, maar de lange snavel verraadt hem.

Leefgebied

Vochtige loof- en gemengde bossen met een strooisellaag en zachte bodem: kurkeik, steeneik en ceder in de Maghreb, eiken- en dennenbos in de Levant, ook oeverbos, boomgaarden en dichte tuinen. Rust overdag verscholen op de bosbodem en zoekt in de schemering voedsel in vochtige weiden en op akkers, waar hij met de snavel naar wormen peurt. In Arabië verschijnen trekvogels in plantages, parken en boerderijen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Overwintert in Noord-Marokko (Rif, Mamora, Midden-Atlas en de bossen rond Ifrane), Noord-Algerije (de Tell-Atlas en de kustbossen in het noordoosten) en Noordwest-Tunesië (Kroumirie en Mogods), op sommige plaatsen in flinke aantallen. Schaars in Libië (Jebel Akhdar in Cyrenaica) en zeldzaam in Egypte (Nijldelta, Sinaï). In de Levant een vrij schaarse wintergast in Libanon, Syrië en Noord-Israël (Galilea, Hermon), in Jordanië zeldzaam, en in Noord-Irak (Koerdistan) een wintergast in de bergbossen. Op het Arabisch schiereiland een zeldzame winter- en trekgast in kleine aantallen, onder meer in Koeweit, Saoedi-Arabië, Bahrein, de Emiraten en Oman. Broedt niet in het gebied; daarbuiten van de Atlantische eilanden en West-Europa door de taiga tot Japan, overwinterend van West-Europa en het Middellandse Zeegebied tot Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem 's winters langs bospaden in de kurkeikenbossen van de Mamora bij Rabat of in de Tunesische Kroumirie rond Aïn Draham; vaak zie je hem pas als hij voor je voeten opvliegt. In de schemering kun je vogels zien uitvliegen naar natte weiden langs de bosrand.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een zeer grote populatie. In de Maghreb wordt er op de overwinteraars gejaagd, en kap en verdroging van bossen tasten het winterbiotoop aan; strenge winters in Europa drijven extra vogels naar het zuiden.

Wetenschappelijke naam

Scolopax rusticola | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Scolopax voerde hij in datzelfde werk in. Scolopax is het Latijnse woord voor een snip of houtsnip, door Linnaeus als geslachtsnaam overgenomen. rusticola is de Latijnse naam van een veldvogel die bij Plinius de Oudere en Martialis wordt genoemd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.