Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Hoppen › Hop
Hop | Upupa epops
Eurasian Hoopoe | Abubilla
Een onmiskenbare oranjeroze vogel met een waaiervormige kuif en zwart-wit gestreepte vleugels, die in het gidsgebied overal voorkomt waar wat bomen of muren staan: van de olijfgaarden van Marokko tot de dadelpalmtuinen van de Arabische oases. In Egypte en Arabië is hij standvogel, in de Maghreb en de Levant vooral zomergast, en in het voorjaar trekt hij in groten getale over de Sahara en door de Jordaanvallei. Hij is de nationale vogel van Israël.
Geluid
De zang is een zacht, ver dragend en hol poep-poep-poep, meestal drie (soms twee of vier) lettergrepen, vaak eindeloos herhaald vanaf een dak of tak; de naam in veel talen is ervan afgeleid. Daarnaast een schor, katachtig schèèr en een droog gekrakeel bij opwinding.
Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Kop, hals en borst warm oranjeroze tot kaneelkleurig, met een lange kuif van oranje veren met zwarte punten die meestal plat naar achteren ligt en bij opwinding als een waaier wordt opgezet. Rug, vleugels en staart zijn breed zwart-wit gebandeerd; de staart is zwart met één witte band. De snavel is lang, dun en licht gebogen. De seksen lijken op elkaar; het vrouwtje is wat doffer. In vlucht opvallend: brede, ronde zwart-witte vleugels en een vlinderachtige, golvende vlucht met onregelmatige slagen. De standvogels van de Nijlvallei (ondersoort major) zijn groter en langer gesnaveld, met een wat dieper gekleurd verenkleed.
Verwarringssoorten
In het gidsgebied nauwelijks te verwarren. De witbandleeuwerik (Alaemon alaudipes) heeft ook een lange gebogen snavel en in vlucht zwart-witte vleugels, maar is zandkleurig, mist de kuif en loopt rechtop als een tapuit. Een vliegende gaai (Garrulus glandarius) toont ook een witte stuit en een golvende vlucht, maar heeft een blauw vleugelveld en geen gestreepte vleugels.
Leefgebied
Open, warm landschap met verspreide bomen en kale of kortbegroeide grond: olijf- en fruitgaarden, dadelpalmtuinen en oases, garrigue, steppe met verspreide bomen, wadi's, dorpen, parken en tuinen, tot ver de woestijn in waar water en schaduw zijn. Zoekt voedsel op de grond door met de lange snavel in de bodem te prikken naar larven, krekels en kevers. Broedt in holten in bomen, muren, rotsen en gebouwen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedvogel in het hele noorden van Marokko, Algerije en Tunesië, van de kustvlakten tot hoog in de Atlas en op de hoogvlakten, en in de oases aan de noordrand van de Sahara; ook in de kuststrook van Libië en in Cyrenaica. In Egypte een algemene standvogel in de Nijlvallei, de delta en de oases van de Westelijke Woestijn. In het oosten broedt hij in Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak, en verspreid over Arabië: in de westelijke bergen van Saoedi-Arabië, in Jemen, in Oman en in de oases en tuinen van de Emiraten; in Koeweit, Qatar en Bahrein vooral doortrekker en wintergast, met enkele broedgevallen. Op trek (februari – april en augustus – oktober) overal, ook midden in de Sahara en in grote aantallen langs Eilat en de Jordaanvallei. Broedt verder door vrijwel heel Europa en gematigd en zuidelijk Azië; de noordelijke vogels overwinteren in de Sahel en Oost-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In maart en april zie je ze op trek op elk grasveld en in elke dadelpalmtuin langs de Sahararand en in de Negev; let op het geluid van de zang, die over honderden meters draagt. In Egypte zitten ze het hele jaar door in de tuinen en op de akkers langs de Nijl, ook midden in Caïro en Luxor.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in het gidsgebied wijdverbreid. Plaatselijk neemt hij af door intensivering van de landbouw, het verdwijnen van oude bomen en muren met nestholten, en het gebruik van bestrijdingsmiddelen; in tuinen en dorpen profiteert hij juist van bevloeiing en aanplant.
Wetenschappelijke naam
Upupa epops | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Upupa voerde hij in datzelfde werk in. Upupa is de Latijnse naam van de hop, gevormd naar de roep oep-oep-oep. epops is het Griekse woord voor de hop, eveneens naar de roep gevormd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


