Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Grote lijster
Grote lijster | Turdus viscivorus
Mistle Thrush | Zorzal charlo
De grote lijster is de grootste lijster van het gidsgebied, een bleke, rechtop staande vogel van open bos en bosranden in de bergen. In de Maghreb broedt de vorm deichleri in de ceder- en eikenbossen van de Atlas en de Rif; in het Midden-Oosten is hij vooral een schaarse wintergast in de noordelijke bergen.
Geluid
De roep is een droog, ratelend trrrrrt, als een houten ratel, vaak in de vlucht; daarnaast een kort tuk. De zang, vanaf de top van een hoge boom en al vanaf de winter te horen, lijkt op die van de merel maar bestaat uit kortere, hardere en eentonigere frasen met pauzes ertussen, zonder de trage, warme afloop van de merel.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
27–28 cm. Groot en lang gestaart, met een fors, rechtop silhouet. Bovendelen grijsbruin, koeler en bleker dan bij de zanglijster, met lichte zomen aan de grote dekveren en armpennen die een lichter vleugelpaneel vormen. Onderdelen wit tot bleek beige met grote, ronde zwarte vlekken, die op de flanken en buik als dikke stippen staan; de borstzijden zijn vaak dicht bespikkeld. De staart heeft witte hoeken. Ondervleugel helder wit, opvallend bij elke vlucht. De vorm deichleri van Noordwest-Afrika is bleker en zandkleuriger boven, met grotere vlekken. De vlucht is krachtig en golvend, met lange gesloten fases; de vogel landt vaak in de top van een boom.
Verwarringssoorten
De zanglijster (Turdus philomelos) is duidelijk kleiner en warmer bruin, met kleine, pijlvormige vlekken in rijen, een warmgeel getinte borst en een oranjebeige ondervleugel. De kramsvogel (Turdus pilaris) heeft een grijze kop en stuit, een kastanjebruine mantel en een donkere staart zonder witte hoeken. Jonge grote lijsters met lichte druppels op de bovendelen kunnen even verwarrend zijn, maar de grootte, de witte ondervleugel en de witte staarthoeken beslissen.
Leefgebied
Broedt in open bergbos: ceder-, eiken- en dennenbos van de Atlas en de Rif, bosranden, open plekken in het bos en houtwallen, in Marokko tot hoog in de bergen. In de winter ook in olijfgaarden, boomgaarden, parken en open landschap met verspreide bomen, vaak bij bessendragende struiken zoals jeneverbes en maretak. Foerageert op open grond en kort gras.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Jaarvogel in het noorden van Marokko (Rif, Midden- en Hoge Atlas), het noorden van Algerije (Tell-Atlas, Kabylië, Aurès) en het noordwesten van Tunesië. In het Midden-Oosten broedt hij schaars en plaatselijk in de bergen van Libanon en Noordwest-Syrië. In de winter schaars in Noord-Israël (Hermon, Golan), de hooglanden van Jordanië, Syrië en Noord-Irak; in Libië, Egypte en op het Arabisch Schiereiland hooguit een zeldzame dwaalgast. Daarbuiten broedt hij in vrijwel heel Europa en via Turkije en Iran tot in Centraal-Azië en de westelijke Himalaya.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de cederbossen bij Azrou en Ifrane in de Midden-Atlas is hij in het voorjaar goed te vinden: luister in de vroege ochtend naar de krachtige zang uit een boomtop en let op de ratelroep van vogels die over een open plek vliegen. De witte ondervleugel is in de vlucht het beste kenmerk.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb is hij gebonden aan bergbos en daarmee kwetsbaar voor houtkap en overbegrazing van de cederbossen; in het Midden-Oosten is het broedareaal klein en versnipperd en is de stand slecht bekend.
Wetenschappelijke naam
Turdus viscivorus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus voerde hij in datzelfde werk in. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. viscivorus is Latijn voor 'maretakverslinder', van viscum 'maretak' en vorare 'verslinden', naar de voorliefde voor maretakbessen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Berechurch in Engeland.

