Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Grote bonte specht

Grote bonte specht | Dendrocopos major

Great Spotted Woodpecker | Pico picapinos

De bekende zwart-witte specht van Europa komt in het gidsgebied alleen in de Maghreb voor, met twee eigen ondersoorten: mauritanus in Marokko en de opvallende numidus in Algerije en Tunesië, met een rood-zwarte borstband. In het Midden-Oosten wordt hij vervangen door de Syrische bonte specht.

Grote bonte specht (Dendrocopos major)
Foto: hedera.baltica from Wrocław, Poland — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, explosief kik! of tsjik, vaak herhaald, bij opwinding een snelle ratel kre-kre-kre. De roffel is kort, krachtig en breekt abrupt af, en klinkt vanaf de winter tot in het voorjaar.

Luister: RoepXC1184686

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgroot, zwart-wit, met grote witte schoudervlekken, wit gebandeerde slagpennen en een scharlakenrode onderstaart. Het witte gezicht wordt omsloten door een zwarte baardstreep die doorloopt tot in de nek, en een zwarte verbinding naar de borstzijde. Het mannetje heeft een rode nekvlek, het wijfje geen rood op de kop, jonge vogels een rood petje. De Noord-Afrikaanse vormen zijn onderaan vuiler en bruiner dan Europese vogels: mauritanus heeft vaak wat rood midden op de borst, numidus een duidelijke borstband van zwarte veren met rode toppen.

Verwarrings­soorten

De Syrische bonte specht (Dendrocopos syriacus) komt in de Maghreb niet voor; elders onderscheid je hem aan de baardstreep die niet tot in de nek loopt, de roze onderstaart en de minder witte buitenste staartpennen. De kleine bonte specht (Dryobates minor) is veel kleiner, mussengroot, zonder witte schoudervlekken en met een wit gebandeerde rug. In de Maghreb is hij verder met geen andere soort te verwarren.

Leefgebied

Bos van allerlei soort met dode en oude bomen: kurk- en steeneikenbos, ceder-, dennen- en sparrenbos (Abies in de Rif en Kabylië), ook bosranden, rivierbos en oude olijf- en fruitgaarden. In Marokko van het laagland tot ongeveer 2.200 m. Hakt een nesthol in een dode of zieke stam en bewerkt in de winter dennen- en cederappels in een smidse.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko verspreid in de Rif, de Midden-Atlas, de Hoge Atlas en de bossen van het noordwestelijk laagland, zoals de Mamora (mauritanus). In Algerije door de bosrijke Tell en Kabylië en in de bergen van de Saharaatlas, en in Noord-Tunesië in de Kroumirie, de Mogods en de bossen van de Dorsale (numidus). Ontbreekt in Libië en Egypte. In de Levant en Mesopotamië ontbreekt hij als broedvogel; meldingen van bonte spechten daar betreffen de Syrische bonte specht. Daarbuiten broedt hij in vrijwel heel Europa, Turkije, de Kaukasus en Noord-Iran tot Siberië, China en Japan, en op de Canarische Eilanden.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de cederbossen rond Ifrane en Azrou en in het kurkeikenbos van de Mamora is hij algemeen; de roffel verraadt hem al in januari en februari. Wie de vorm numidus met zijn rode borstband wil zien, zoekt in de bossen rond Aïn Draham in de Tunesische Kroumirie of in Kabylië.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Europa algemeen en toenemend. In de Maghreb vrij algemeen in bosgebieden, maar afhankelijk van bos met oude en dode bomen; kap, bosbranden en overbegrazing die de bosverjonging tegenhoudt bedreigen het leefgebied plaatselijk.

Wetenschappelijke naam

Dendrocopos major | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Picus major; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocopos werd in 1816 ingevoerd door Koch. Dendrocopos is Grieks, van dendron 'boom' en kopos 'het slaan'. major is Latijn voor 'groter', ter onderscheiding van de kleinere bonte spechten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.