Alle soorten › Steltloperachtigen › Grielen › Griel

Griel | Burhinus oedicnemus

Eurasian Thick-Knee | Alcaraván común

Een grote, zandkleurige steltloper van stenige vlakten en steppen, die overdag roerloos tussen de stenen ligt en pas bij het vallen van de avond actief wordt. In de Maghreb en de Levant een wijdverbreide broedvogel; in de winter strijken vogels uit het noorden neer tot diep in Arabië.

Griel (Burhinus oedicnemus)
Foto: Artemy Voikhansky — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vanaf zonsondergang een klagend, langgerekt en opklimmend koer-liiii, wulpachtig maar scherper en schriller. Vogels antwoorden elkaar en bouwen dat op tot een koor waarin de roepen korter en sneller worden, kwie-kwie-kwie. Bij onrust een kort, hard kik-kik-kik. Het geluid draagt bij windstil weer ver over de vlakte.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1182789

Opname: Sophie REVERDIAU — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Grof gestreept zandbruin, met een stevige hals, een zware, ronde kop en een groot, fel geel oog. Een witte wenkbrauwstreep en een witte streep onder het oog omlijsten een donkere wangstreep. De korte, dikke snavel is geel met een zwarte punt; de poten zijn geel en dik, met een verdikt spronggewricht. Op de gevouwen vleugel staat een opvallende zwart-wit-zwarte streep over de dekveren. In vlucht zwarte handpennen met twee witte vlekken en een breedvleugelige, trage indruk. De Noord-Afrikaanse en Midden-Oosterse vogels (saharae) zijn bleker en rossiger zandkleurig dan Europese.

Verwarrings­soorten

De Senegalese griel (Burhinus senegalensis) in Egypte is kleiner, met een langere, overwegend zwarte snavel met kleine gele basis, een effen grijs vlak boven een smalle zwarte streep op de gevouwen vleugel en één witte handpenvlek. De Kaapse griel (Burhinus capensis) in Zuidwest-Arabië is gevlekt in plaats van gestreept en mist de vleugelstreep. De grote griel (Esacus recurvirostris) is veel groter, ongestreept en heeft een massieve, opgewipte snavel. In vlucht kan het vleugelpatroon aan een grote plevier doen denken, en in het donker wordt de roep wel voor een wulp (Numenius arquata) aangezien.

Leefgebied

Open, droog en schaars begroeid terrein met een stenige of grindige bodem: alfa-steppe en hoogvlaktes, kruidensteppe, de randen van de steenwoestijn, droge akkers, braak en olijfgaarden, en in de winter ook halfwoestijn, wadi's, landbouwgebieden en gazons en golfbanen in de Golfstaten. Broedt in een kuiltje op kale grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het noorden van het gidsgebied. Marokko: wijdverbreid in de vlakten en steppen, van de Atlantische kust en de Souss tot de hoogvlakten in het oosten. Algerije en Tunesië: in de steppen, de hoogvlakten en aan de noordrand van de Sahara. Libië: in Tripolitanië en Cyrenaica. Egypte: aan de noordkust en in de Sinaï broedvogel, verder vooral doortrekker en wintergast. In de Levant een algemene broedvogel in Israël, met name in de Negev en de kustvlakte, en in Jordanië, Syrië en Libanon; ook in Irak. In Arabië vooral doortrekker en wintergast, van Koeweit en Noord-Saoedi-Arabië tot Bahrein, Qatar, de Emiraten en Oman, en schaars in Jemen; in de Emiraten verblijven vogels vaak dagenlang in landbouwgebieden. Daarbuiten van Zuid- en Midden-Europa tot Centraal-Azië en het Indisch subcontinent; noordelijke vogels overwinteren deels in de Sahel.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga na zonsondergang naar een open, stenige vlakte, bijvoorbeeld in de steppen van Oost-Marokko of de Negev, zet de motor af en luister. In het najaar verzamelen zich groepen van tientallen vogels op braak en stoppels, de beste kans om ze bij daglicht te zien; scan dan de kale grond af op de gele ogen. In de Golfstaten zitten wintervogels overdag vaak stil in de schaduw onder struiken in landbouwgebieden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied gaat de soort plaatselijk achteruit door het omploegen van steppe, intensievere landbouw en bebouwing, en in de winter door de jacht en het vangen, onder meer in Arabië, waar de Emiraten publiekelijk waarschuwen tegen stroperij.

Wetenschappelijke naam

Burhinus oedicnemus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius Oedicnemus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Burhinus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Burhinus is Grieks, van bous 'rund' en rhis 'neus', naar de zware, brede snavelbasis. oedicnemus is Grieks, van oideō 'zwellen' en knēmē 'scheen', naar de dikke gewrichten in de poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland.