Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Geelpootmeeuw
Geelpootmeeuw | Larus michahellis
Yellow-Legged Gull | Gaviota patiamarilla
De grote meeuw van de Middellandse Zee, die in Noord-Afrika langs vrijwel de hele kust van Marokko tot Tunesië broedt en in de havens het jaarrond aanwezig is. In het oosten van het gidsgebied is hij een kleine broedvogel in Israël en Libanon en vooral een wintergast, waar hij gezocht moet worden tussen Pontische en Armeense meeuwen.
Geluid
Dieper en nasaler dan de zilvermeeuw: een volle lachroep gaou-gaou-gaou en een kort ga-ga bij onrust; in de havensteden het jaarrond te horen.
Opname: Francesco Sottile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Een forse, hoekige meeuw met een middengrijze mantel, donkerder dan bij zilvermeeuw en Pontische meeuw. Volwassen vogels hebben heldergele poten, een bleekgeel oog met een rode oogring en een zware gele snavel met een sterke gonyshoek en een grote rode vlek. De kop is van de zomer tot in de winter spierwit, hooguit met fijne streepjes rond het oog. In de vleugelpunt zit veel zwart, met een witte spiegel op p10 en vaak een kleine op p9. Eerstejaars zijn contrastrijk: een witte kop met een donker oogmasker, grof geblokte dekveren, egaal donkere tertials met een smalle lichte rand, een witte stuit en een scherpe zwarte staartband. Vogels van de Atlantische kust van Marokko lijken op de Atlantische vorm atlantis en zijn wat donkerder van mantel.
Verwarringssoorten
De zilvermeeuw (Larus argentatus) heeft een lichtere mantel, roze poten en in de winter een gestreepte kop. De Pontische meeuw (Larus cachinnans) is slanker en langhalziger, met een kleine kop, een lange snavel zonder sterke gonyshoek, vaalroze poten en meer wit in de vleugelpunt. De Armeense meeuw (Larus armenicus) is kleiner en heeft een korte, stompe snavel met een zwarte band, een donker oog en een donkerder vleugelpunt. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) heeft ook gele poten, maar een veel donkerder mantel en is slanker met langere vleugels. De Audouins meeuw (Ichthyaetus audouinii) is kleiner en slanker, met een donkerrode snavel en grijsgroene poten.
Leefgebied
Rotskusten, kliffen en eilandjes, stranden, lagunes, zoutpannen, havens, riviermondingen, stuwmeren en vuilstortplaatsen, steeds vaker ook daken in steden. Broedt in kolonies op rotseilandjes, kliffen en gebouwen, plaatselijk aan stuwmeren in het binnenland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt langs vrijwel de hele kust van Marokko, van de Atlantische kust (onder meer op het eiland van Essaouira) tot de Middellandse Zee en de Chafarinas-eilanden, langs de kust en op de eilanden van Algerije en Tunesië (onder meer Zembra, La Galite en Kerkennah) en plaatselijk in Libië. In Israël broedt een kleine, groeiende populatie van enkele tientallen paren aan de noordelijke kust, op eilandjes en in Tel Aviv; ook op de kusteilandjes van Libanon. In de winter wijdverbreid langs de hele Noord-Afrikaanse kust, zuidwaarts langs de Atlantische kust tot in de Westelijke Sahara, in Egypte aan de Middellandse Zee, in de Nijldelta en bij Suez, en in kleinere aantallen tot Eilat en Akaba; aan de Perzische Golf zeldzaam. Daarbuiten broedt hij rond de Middellandse Zee, de Zwarte Zee, op Macaronesië en langs de Atlantische kust tot West-Frankrijk, en breidt hij zich uit naar Midden- en Noordwest-Europa.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In iedere Noord-Afrikaanse vissershaven, zoals Essaouira, Agadir of Sfax, rusten volwassen en jonge vogels op korte afstand, zodat je alle kleden naast elkaar kunt bestuderen. In Israël is de noordkust tussen Akko en Rosh HaNikra het beste broedgebied.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en dankzij visserijafval en vuilstorten sterk toegenomen. In Noord-Afrika algemeen; in Israël klein maar groeiend en op de nationale Rode Lijst als gevoelig aangemerkt. Waar hij talrijk is, verdringt hij kleinere kolonievogels als de Audouins meeuw.
Wetenschappelijke naam
Larus michahellis | Naumann, 1840
Naumann beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. michahellis eert de Duitse zoöloog Karl Michahelles (1807–1834). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van Dalmatië.


