Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dwergmeeuw

Dwergmeeuw | Hydrocoloeus minutus

Little Gull | Gaviota enana

De kleinste meeuw ter wereld, die met een licht, sternachtig vlieggedrag boven het water foerageert. Hij broedt in Oost-Europa en West-Siberië en overwintert voor een belangrijk deel op zee in de Middellandse Zee, waardoor hij langs de kusten van Noord-Afrika, Egypte en de Levant een gewone wintergast is.

Dwergmeeuw (Hydrocoloeus minutus)
Foto: Ekaterina Chernetsova (Papchinskaya) from Saint-Petersburg, Russia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd meestal stil. In groepen een hoog, nasaal kek-kek-kek, sternachtig van klank, en een gerekt kje-kje.

Luister: VluchtroepXC1168818

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Piepklein en compact, met ronde vleugeltoppen, een fijne donkere snavel en rode poten. Volwassen vogels in zomerkleed hebben een volledig zwarte kap zonder witte oogring; in winterkleed is de kop wit met een donkere kruinvlek en oorvlek. De bovenvleugel is egaal lichtgrijs met een witte achterrand en zonder zwart in de vleugelpunt; de ondervleugel is opvallend roetzwart. Eerstejaars vogels hebben een zwarte W over de bovenvleugel, een donkere kruin en oorvlek en een smalle zwarte staartband, met een witte ondervleugel. Vliegt licht en fladderend en pikt voedsel van het wateroppervlak, als een zwarte stern.

Verwarrings­soorten

De drieteenmeeuw (Rissa tridactyla) is in het eerste jaar ook getekend met een zwarte W, maar is groter, met langere, spitsere vleugels en een zwarte nekband. De kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus) is fors groter, met een witte handwig en zwarte vleugelpunt. De vorkstaartmeeuw (Xema sabini) heeft een driekleurig vleugelpatroon en een gevorkte staart. De zwarte stern (Chlidonias niger) en de witvleugelstern (Chlidonias leucopterus) foerageren op dezelfde manier maar hebben smallere, spitse vleugels.

Leefgebied

In de winter vooral op open zee en langs de kust, met concentraties bij riviermondingen, lagunes, havens en de Nijldeltameren; op trek ook op zoutmeren, stuwmeren en visvijvers in het binnenland. Foerageert in groepen, vaak met sterns.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Een gewone wintergast langs de kusten van Egypte (Nijldelta, de meren van Manzala en Bardawil), Israël, Libanon en Syrië, waar in strenge winters of bij aanlandige stormen soms honderden tot duizenden vogels vlak onder de kust verschijnen. Ook geregeld langs de kusten van Tunesië (golf van Gabès), Libië en Algerije, en op zee voor Marokko, zowel aan de Middellandse Zee als langs de Atlantische kust. In het binnenland een doortrekker op zoutmeren en waterbekkens, onder meer in Israël, Syrië en Irak. In de Golf een schaarse wintergast in Koeweit, Bahrein, Qatar en de Emiraten; in Oman en de rest van Arabië zeldzaam. Daarbuiten broedt hij van de Baltische staten en Wit-Rusland tot West-Siberië, en plaatselijk in Noord-Amerika, en overwintert vooral in de Middellandse Zee, de Zwarte Zee, de Kaspische Zee en de Atlantische Oceaan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs de Israëlische kust bij Ma'agan Michael en Ashdod, en bij de havens van Port Said en Damietta in Egypte, zijn in de winter na een westerstorm groepen dwergmeeuwen vanaf het land te zien. In het voorjaar trekken ze door Eilat en over de visvijvers van de Jordaanvallei.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en op lange termijn vrij stabiel, al schommelen de aantallen sterk. Vervuiling op zee, olierampen en bijvangst vormen in het overwinteringsgebied de belangrijkste risico's.

Wetenschappelijke naam

Hydrocoloeus minutus | (Pallas, 1776)

Pallas beschreef de soort in 1776 als Larus minutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydrocoloeus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Hydrocoloeus is Grieks, van hudor 'water' en koloios 'kauw': 'waterkauw'. minutus is Latijn voor 'klein'; het is de kleinste meeuw ter wereld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Berjozovo in Siberië.