Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Bleke rotsmus

Bleke rotsmus | Carpospiza brachydactyla

Pale Rockfinch | Gorrión pálido

De bleke rotsmus is een vale, zandkleurige mus van droge, stenige heuvels, die zichzelf eerder met zijn geluid dan met zijn kleed verraadt. Hij is een zomergast in het noordoosten van het gebied en trekt in het voorjaar in wisselende aantallen door de Negev en de Arava.

Bleke rotsmus (Carpospiza brachydactyla)
Foto: Meyban — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Onmiskenbaar: een lang aangehouden, zoemend en droog dzjieeee, als een krekel, vaak met een korte klik aan het eind, eindeloos herhaald vanaf een steen of struik, ook in de middaghitte. Daarnaast een zacht tsjilp.

Luister: ZangXC1049267

Opname: Geoff Carey — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14,5–15,5 cm. Een slanke mus met een zware, stompe kegelsnavel en lange, spitse vleugels die hem in de vlucht leeuwerikachtig maken. Zandgrijs tot vaalbeige, van onder vuilwit, met een volkomen effen kop: geen kruinstreep, geen oogstreep, hooguit een vage lichte wenkbrauw. De lichte zomen van dekveren en armpennen vormen twee vage vleugelstrepen. De snavel is in de broedtijd blauwgrijs tot donker, daarbuiten vleeskleurig. Geslachten gelijk; jonge vogels nog bleker.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de Huismus (Passer domesticus) heeft een duidelijke lichte wenkbrauwstreep en een gestreepte rug. De Rotsmus (Petronia petronia) is gestreept, heeft een lichte kruinstreep en witte staartpuntvlekken. De Indische rotsmus (Gymnoris xanthocollis) is kleiner en fijner, met scherpe witte vleugelstrepen. Een Kortteenleeuwerik (Calandrella brachydactyla) heeft een dunnere snavel en donkere halszijvlekjes.

Leefgebied

Droge, stenige heuvels en hoogvlakten met verspreide struiken, distels en lage bomen zoals pistache en amandel, garrigue en kale berghellingen tot ongeveer 2000 m. Op de trek in steenwoestijn, wadi's en akkers, vaak in groepjes die drinken bij water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt van april tot september in Syrië, Libanon (Antilibanon en randen van de Bekavallei), Noord-Irak, en onregelmatig en in kleine aantallen op de Golan, de Hermon en in Jordanië. In april en mei doortrekker door Israël (vooral de Negev en Eilat), Jordanië, de Sinaï en Saoedi-Arabië; de najaarstrek valt minder op. Overwintert in Noordoost-Afrika (Soedan, Eritrea) en mogelijk in het zuidwesten van Arabië. Daarbuiten broedend in Turkije, de Kaukasus, Iran en Turkmenistan.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga eind april of in mei naar de stenige hellingen rond Eilat of de Golan en luister naar het krekelachtige gezoem; een groepje dat in de middaghitte bij een drinkplaats neerstrijkt, is een goede kans om de soort van dichtbij te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Het aantal broedvogels schommelt sterk van jaar tot jaar, mogelijk afhankelijk van de regenval in het voorjaar.

Wetenschappelijke naam

Carpospiza brachydactyla | (Bonaparte, 1850)

Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Petronia brachydactyla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Carpospiza werd in 1854 ingevoerd door Müller. Carpospiza is Grieks, van karpos 'vrucht, zaad' en spiza 'vink'. brachydactyla is Grieks, van brakhus 'kort' en daktulos 'teen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Al Qunfudhah in Saoedi-Arabië.