Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Bergtjiftjaf

Bergtjiftjaf | Phylloscopus sindianus

Mountain Chiffchaff | Mosquitero montano

De bergtjiftjaf is een bruinige, geelloze tjiftjaf uit de bergen van de Kaukasus, Noordoost-Turkije en Centraal-Azië. In het gidsgebied is hij een zeldzame wintergast in het uiterste noordoosten, vooral in Koeweit, waar hij tussen de vele overwinterende tjiftjaffen makkelijk over het hoofd wordt gezien.

Bergtjiftjaf (Phylloscopus sindianus)
Foto: Mvshreeram — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, iets dalend, wat pieperig psiew of swie-oe, anders dan het oplopende hu-iet van de tjiftjaf en dichter bij het klaaglijke iet van tristis. De zang lijkt sterk op die van de tjiftjaf, een reeks tsjilp-tsjalp-tonen, maar is wat rapper en ijler; in de winter zelden te horen.

Luister: ZangXC1154614

Opname: David Nayer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10,5–12 cm. Bouw en gedrag als een tjiftjaf, met dezelfde wippende staart, maar het verenkleed mist vrijwel elk groen of geel: bovendelen grijsbruin tot warm aardbruin, onderdelen vuilwit met een warmbeige waas op borst, flanken en oorstreek. De wenkbrauwstreep is lang, beige tot wittig en loopt vaak duidelijk door tot voor het oog; daaronder een donkere oogstreep. Geen groene randen aan vleugel- en staartveren, hooguit een zweem op de handpennen; geen geel onder de vleugel of bij de vleugelboeg. Snavel en poten zwartachtig, de snavel iets fijner dan bij de tjiftjaf. In het gebied gaat het vermoedelijk om de westelijke vorm lorenzii.

Verwarrings­soorten

De tjiftjaf (Phylloscopus collybita), vooral de bleke oostelijke vorm tristis (Siberische tjiftjaf), is het lastigst: die heeft groene randen aan vleugel en staart, geel bij de vleugelboeg en onder de vleugel en een koeler beige toon; de roep beslist. De dwergtjiftjaf (Phylloscopus neglectus) is kleiner, kortstaartiger en grauwer, met een hard tsjrit. De Iberische tjiftjaf (Phylloscopus ibericus) is veel groener en geler.

Leefgebied

In de winter struiken en bomen in vochtige, beschutte plekken: tamarisken en riet langs water, boerderijen en tuinen met bevloeiing, boomgaarden en dadelpalmtuinen. Broedt buiten het gebied in struweel en lichte bossen langs bergbeken en op berghellingen, vaak boven 1500 m.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Zeldzame maar regelmatige wintergast in Koeweit, met de meeste waarnemingen van november tot januari op boerderijen en in tuinen zoals Al Abraq en rond Jahra. Daarnaast enkele meldingen in Irak, Israël, Saoedi-Arabië en Oman; elders in het gebied niet bekend. Buiten het gebied broedt de vorm lorenzii in Noordoost-Turkije en de Kaukasus en de vorm sindianus in de Himalaya, de Pamir en de Tiensjan; hij overwintert in lager gelegen dalen in Zuidwest-Azië, Pakistan en Noordwest-India.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de winter in de begroeide boerderijen van Koeweit tussen de overwinterende tjiftjaffen naar een exemplaar zonder enig groen of geel, en luister naar een zacht, dalend psiew. Een geluidsopname is vaak nodig voor een zekere determinatie.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied zo zeldzaam dat er geen trend bekend is; overwinterende vogels zijn afhankelijk van bevloeide tuinen en boerderijen in de woestijn.

Wetenschappelijke naam

Phylloscopus sindianus | Brooks, 1880

Brooks beschreef de soort in 1880 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. sindianus betekent 'van Sind', naar de streek Sindh in het zuiden van het huidige Pakistan. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sukkur in Pakistan.