Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Aziatische steenpatrijs

Aziatische steenpatrijs | Alectoris chukar

Chukar Partridge | Perdiz chukar

Het hoen van de kale steenhellingen van de Levant, Irak en de Sinaï. Een roepende haan op een rotsblok vult een heel dal met zijn naamgevende roep, maar zodra je hem zoekt is hij een grijze steen tussen de stenen. In het gidsgebied ligt de zuidwestrand van een areaal dat tot in China reikt.

Aziatische steenpatrijs (Alectoris chukar)
Foto: Milad Gerami — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De naam is de roep: een reeks harde tsjak-noten die versnelt en overgaat in een rollend tsjak-tsjak-tsjoekar-tsjoekar, vaak beantwoord door hanen op de omliggende hellingen. Bij het opvliegen een scherp pitsjoe.

Luister: VluchtroepXC1134838

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Rond, grijsbruin hoen met koraalrode snavel, rode oogring en rode poten. Keel en wangen roomkleurig, omsloten door een gesloten zwarte band die over het voorhoofd en door het oog loopt en op de borst eindigt. Kruin en nek grijsbruin met een wijnrode zweem, achter het oog een roestbruine oorvlek. De flanken dragen een reeks smalle zwarte, witte en kastanjebruine banden. De vogels van de Sinaï, de Negev en Zuid-Jordanië (ondersoort sinaica) zijn bleker en zandkleuriger dan die van de Libanon en Koerdistan. In vlucht kort en laag, met roestbruine staartzijden.

Verwarrings­soorten

De Arabische steenpatrijs (Alectoris melanocephala) van West- en Zuid-Arabië is groter, heeft een zwarte kruin met witte wenkbrauwstreep en een witte keel; de arealen raken elkaar niet. Philby's steenpatrijs (Alectoris philbyi) in Zuidwest-Arabië heeft een zwarte keel en zwarte wangen. De Barbarijse patrijs (Alectoris barbara) van Noordwest-Afrika mist de zwarte band en heeft een kastanjebruine, witgespikkelde halskraag. De Arabische woestijnpatrijs (Ammoperdix heyi), die in de Sinaï, de Negev en Jordanië dezelfde hellingen deelt, is kleiner, zandkleurig, zonder zwarte band en met fijn gestreepte flanken.

Leefgebied

Droge, steenachtige hellingen met lage doornstruiken en batha (lage Levantijnse kruidengarrigue), puinhellingen, rotsige wadi's en verlaten terrassen, van de Dode Zee onder zeeniveau tot boven 2000 meter in het Koerdische gebergte en op de Hermon. In de Negev en de Sinaï in rotswoestijn met wat begroeiing, mits er binnen loopafstand water is. Foerageert op zaden, knoppen, groen en in de zomer ook insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied wijdverspreid in Libanon, Syrië en het noorden en oosten van Irak (Koerdistan, de Zagros-uitlopers), in Israël van Galilea tot de Negev en de Judese woestijn, in de hooglanden en langs de randen van de Jordaanvallei in Jordanië, in de bergen van de Zuid-Sinaï in Egypte en plaatselijk in het uiterste noorden van Saudi-Arabië. Daarbuiten van de oostelijke Balkan en Turkije via Iran en Centraal-Azië tot Noordoost-China; elders uitgezet, onder meer in Noord-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In maart en april, kort na zonsopgang, op een uitzichtpunt boven een rotshelling: in Ein Gedi, het Ramongebied, de Wadi Rum of de Libanon-bergen. Wacht op de roep en zoek dan de rotskoppen af; de haan staat vaak bovenop een blok. Rond bronnen en drinkplaatsen komen in de zomer groepen vlak voor het donker drinken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gebied is de stand plaatselijk sterk verminderd door jacht, zeker in Syrië, Libanon en Irak, waar de soort traditioneel geschoten en gevangen wordt. In Israël en Jordanië is hij in beschermde gebieden nog algemeen. Uitzettingen van kweekvogels vertroebelen op enkele plaatsen de herkomst.

Wetenschappelijke naam

Alectoris chukar | (Gray, 1830)

Gray beschreef de soort in 1830 als Perdix Chukar; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alectoris werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Alectoris is Grieks, van alektoris 'hen, erfhoen', bij alektōr 'haan'. chukar is een klanknabootsing van de roep, via het Hindi chakor; het woord staat al in het Sanskriet. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Srinagar in Kumaon.