Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Arabische zwartkop
Arabische zwartkop | Curruca leucomelaena
Arabian Warbler | Curruca árabe
De Arabische zwartkop is een forse, donkerkoppige grasmus van het acaciastruweel rond de Rode Zee, van de Arava in Israël en Jordanië tot Jemen en Dhofar. Met zijn lange, wit omzoomde staart, die hij als een klauwier op en neer en zijwaarts beweegt, en zijn lijsterachtige zang is hij een van de karaktersoorten van de acaciawadi's.
Geluid
De zang is een korte, vloeiende, bollende strofe van twee tot drie seconden met een lijsterachtige, fluitende klank, vanaf de top van een acacia of vanuit dekking; melodieuzer en zonder het krassen van de meeste grasmussen. De roep is een zacht tsjak, bij onraad in een reeks.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14,5–15 cm. Groot, met een zware snavel, korte, ronde vleugels met nauwelijks handpenprojectie en een lange, zwarte staart met witte zijranden. Het mannetje heeft een doffe zwarte kap tot onder het oog, die zonder scherpe grens overgaat in de grijsbruine mantel; de keel is wit, de rest van de onderkant vuilwit tot lichtgrijs met een buffige zweem op de flanken. Het oog is donker met een smalle witte ooglidrand. Het vrouwtje heeft een donker bruingrijze kap en is wat bruiner. De onderstaartdekveren zijn donker met witte zomen. De vorm negevensis in de Arava is iets bleker dan de Arabische vogels.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de oostelijke orpheusgrasmus (Curruca crassirostris) lijkt erop, maar heeft een lichte iris, langere vleugels met duidelijke handpenprojectie, een scherper begrensde kap en een kortere staart die hij niet zwaait; hij trekt door het leefgebied van de Arabische zwartkop. De Jemenzanger (Curruca buryi) heeft geen donkere kap en okerbruine onderstaartdekveren. De kleine zwartkop (Curruca melanocephala) en Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea) zijn veel kleiner, met een rode oogring.
Leefgebied
Acaciastruweel en open acaciabos in warme, droge laagvlakten en wadi's: in de Arava vrijwel uitsluitend in grote acacia's (Vachellia tortilis en V. raddiana), in Arabië in de acaciavlakten van de Tihama, de wadi's aan de voet van het Asirgebergte en in Dhofar in droog acaciastruweel. Zoekt rustig in de kroon naar insecten en beweegt daarbij de staart.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Israël en Jordanië de vorm negevensis in de Arava en het zuiden van de Dode Zeedepressie, een kleine, geïsoleerde populatie. De nominaatvorm in het westen van Saoedi-Arabië, van het noordwesten (Hejaz) langs de Tihama en de voet van het Asirgebergte zuidwaarts, in het westen en zuiden van Jemen en in Dhofar in het zuiden van Oman. In het zuidoosten van Egypte (Gebel Elba) de vorm blanfordi, die verder in Soedan en Eritrea voorkomt. Daarbuiten nog somaliensis in Djibouti en Noord-Somalië. Standvogel.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Israël in de grote acacia's van de zuidelijke Arava ten noorden van Eilat; vroeg in de ochtend zingt het mannetje vanaf de top van een acacia. In Oman te zien in de acaciawadi's van Dhofar, in Saoedi-Arabië in de Tihama en de lage wadi's rond Jizan.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, al gaat de stand vermoedelijk langzaam achteruit. De kleine populatie in de Arava is kwetsbaar door het afsterven van acacia's bij dalende grondwaterstanden, uitbreiding van de landbouw en droogte; in Arabië spelen het kappen van acacia's voor houtskool en overbegrazing van wadi's.
Wetenschappelijke naam
Curruca leucomelaena | Hemprich & Ehrenberg, 1833 (GBIF: Sylvia leucomelaena)
Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. leucomelaena is Grieks, van leukos 'wit' en melas 'zwart', naar het zwart-witte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Midyan in Saoedi-Arabië.

