Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Arabische tapuit

Arabische tapuit | Oenanthe lugentoides

Arabian Wheatear | Collalba árabe

De Arabische tapuit is een zwart-witte tapuit van het Zuidwest-Arabische hoogland, die alleen voorkomt in het gebergte van Zuidwest-Saoedi-Arabië, Jemen en Dhofar. Hij is nauw verwant aan de rouwtapuit en werd lang als een vorm daarvan gezien, maar heeft een donkere kruin en leeft in een heel ander landschap: terrassen, jeneverbesbos en dorpen in de bergen.

Arabische tapuit (Oenanthe lugentoides)
Foto: Jan Ebr & Ivana Ebrová — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een korte, heldere strofe van fluittonen met wat krassende noten, vanaf een rotsblok, een muurtje of een boom. De roep is een hard tsjak.

Luister: ZangXC996178

Opname: bert de bruin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm. Bouw als een rouwtapuit. Het mannetje heeft een zwart gezicht, keel, bovenborst, mantel en vleugels; de kruin is donker, grijsbruin tot zwartachtig met fijne lichte strepen, maar nooit zuiver wit. Buik en stuit wit, onderstaartdekveren oranjebeige. De staart is wit met zwarte middenveren en een zwarte eindband (omgekeerde T). Het vrouwtje van de nominaat is grijsbruin met een donker gestreepte keel en hetzelfde staartpatroon; in Dhofar (vorm boscaweni) lijkt het vrouwtje meer op het mannetje.

Verwarrings­soorten

De rouwtapuit (Oenanthe lugens) heeft een zuiver witte kruin en leeft niet in het Zuidwest-Arabische hoogland; ook de monnikstapuit (Oenanthe monacha) heeft een witte kruin. Het mannetje van de bonte tapuit (Oenanthe pleschanka), een doortrekker en schaarse wintergast in Zuidwest-Arabië, heeft een witte kruin en een witte onderstaart. Bruinborsttapuit (Oenanthe bottae), die in hetzelfde hoogland leeft, is bruin met een roestbeige borst en zonder zwart. Vrouwtjes lijken op vrouwtjes van de tapuit (Oenanthe oenanthe) en de bonte tapuit, maar de gestreepte keel en het oranjebeige onder de staart helpen.

Leefgebied

Rotsige hellingen, kloven en ravijnen met struiken en jeneverbesbos, terrasakkers met stenen muren, boomgaarden en dorpen in het hooggebergte, meestal tussen zo'n 1.500 en 3.000 m; in Dhofar ook lager, op rotsige, begroeide hellingen. Nestelt in gaten in terrasmuren en rotsspleten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Endemisch in Zuidwest-Arabië: het Hejaz- en Asirgebergte van Saoedi-Arabië, van ongeveer Taif zuidwaarts, plaatselijk ook in de bergen van de Tihama, en het westelijke hoogland van Jemen; verder oostwaarts in Zuid-Jemen en in het gebergte van Dhofar in Zuid-Oman (vorm boscaweni). Komt niet buiten het gidsgebied voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Saoedi-Arabië makkelijk te zien rond Abha, op het plateau van Jebel Souda en in het bos van Raydah; in Jemen in het hoogland rond Sanaa en Taizz. Hij broedt vaak dicht bij huizen en terrassen en zit dan zichtbaar op muurtjes.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In zijn kleine verspreidingsgebied vrij algemeen, maar in de Asir mogelijk wat achteruitgegaan; bebouwing en verlies van terrassen en jeneverbesbos zijn plaatselijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe lugentoides | (Seebohm, 1881)

Seebohm beschreef de soort in 1881 als Saxicola lugentoides; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. lugentoides betekent 'lijkend op lugens' (de rouwtapuit), van het Latijnse lugens 'rouwend' en het Griekse -oidēs 'lijkend op'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jemen.