Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Arabische astrild

Arabische astrild | Estrilda rufibarba

Arabian Waxbill | Estrilda árabe

De Arabische astrild is een kleine, grijsbruine en fijn gebandeerde astrild met een rood oogmasker, die alleen in de bergen van Zuidwest-Arabië voorkomt. Groepjes houden zich op in de dichte begroeiing van wadi's en terrasakkers, en verraden zich vooral met hun fijne gepiep.

Arabische astrild (Estrilda rufibarba)
Foto: mostafapic — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een fijn, hoog tsip of tsiet, door de vogels in een troepje voortdurend herhaald; bij het opvliegen een snel, schril tsiet-tsiet. De zang is een kort, nasaal en wat krassend deuntje.

Luister: RoepXC879506

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm, slank, met een lange, getrapte donkere staart. Het hele kleed is grijsbruin, boven en onder dicht en fijn donker gebandeerd; de kop is wat grijzer. Een helderrode streep loopt van de snavelbasis door het oog, en de snavel is zwart. Keel en wangen zijn lichter, vuilwit; de buik mist de roze vlek van verwante astrilden en de onderstaartdekveren zijn donker. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels zijn vager gebandeerd en hebben een minder rood masker.

Verwarrings­soorten

Het sint-helenafazantje (Estrilda astrild), dat in het gebied alleen als ontsnapte kooivogel opduikt, heeft een rode snavel, een warmere bruine kleur en een rozerode buikvlek. Het zilverbekje (Euodice cantans) is even fijn gebandeerd maar heeft een dikke zilverblauwe snavel, geen rood in het gezicht en een zwarte stuit. Andere kleine zaadeters in het hoogland, zoals de Jemenkanarie (Crithagra menachensis), missen de bandering en het rode masker.

Leefgebied

Dichte grasruigte, riet, oeverstruiken en begroeiing langs bronnen en stromend water in wadi's van het hoogland, terrasakkers met haagjes, tuinen en de randen van dorpen, grofweg tussen 1000 en 2800 m. Leeft in groepjes die laag in de begroeiing en op de grond zaden zoeken, vooral van grassen; nooit ver van water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Endemisch in Zuidwest-Arabië: in Saoedi-Arabië in het hoogland van Asir en het zuidelijke Hijaz (onder meer rond Abha en Al Baha), en in Jemen in het westelijke hoogland en op de hellingen daarvan, van Saada tot Ta'izz en Ibb. Komt elders niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de omgeving van Abha bij bronnen en in begroeide wadi's met water, of rond de terrasakkers van het Jemenitische hoogland. Luister naar het fijne gepiep uit ruigte en riet en wacht tot een troepje naar de rand komt; het rode masker is dan het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en binnen zijn kleine areaal plaatselijk algemeen. Omdat de soort gebonden is aan begroeide wadi's met water, kunnen waterwinning, overbegrazing en het verdwijnen van terrasbouw de stand plaatselijk aantasten. Over de huidige situatie in Jemen is weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Estrilda rufibarba | (Cabanis, 1851)

Cabanis beschreef de soort in 1851 als H[abropyga] rufibarba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan het sint-helenafazantje gaf; waar dat woord vandaan komt is onzeker — mogelijk een Duitse of Nederlandse vogelhoudersterm voor een astrild, mogelijk een drukfout voor Estrilda. rufibarba is Latijn voor 'met rode baard', van rufus 'rood' en barba 'baard'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Arabië.