Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Alpenkraai

Alpenkraai | Pyrrhocorax pyrrhocorax

Red-Billed Chough | Chova piquirroja

Een glanzend zwarte kraai met een lange, gebogen rode snavel en rode poten, in het gidsgebied talrijk in de Atlas en de Anti-Atlas, waar groepen spelen in de opwind boven kloven en kasba's. Verder oostelijk is hij een schaarse bergvogel van Koerdistan.

Alpenkraai (Pyrrhocorax pyrrhocorax)
Foto: Hobbyfotowiki — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, explosief en ver dragend tsjiaa of kiaauw, scheller en hoger dan de roep van de kauw; groepen maken een opgewonden koor van zulke roepen.

Luister: VluchtroepXC1185475

Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

37–41 cm. Blauwzwart glanzend, met een lange, dunne, gebogen koraalrode snavel en rode poten. Jonge vogels zijn doffer met een kortere, oranjegele snavel. In de vlucht brede, rechthoekige vleugels met zes diep gevingerde handpennen en een vrij korte, recht afgesneden staart; maakt steile duikvluchten met dichtgevouwen vleugels.

Verwarrings­soorten

De alpenkauw (Pyrrhocorax graculus) heeft een korte gele snavel, smallere vleugels en een langere, ronde staart. De kauw (Coloeus monedula) is kleiner, met grijze nek, lichte iris en zwarte snavel en poten. De zwarte kraai (Corvus corone) en de raaf (Corvus corax) zijn groter, met zware zwarte snavels.

Leefgebied

Kale berghellingen met kort, begraasd gras, rotswanden, kloven en steile rivierdalen, in de Atlas van ongeveer 1000 tot boven 3500 m, in de Anti-Atlas en in de kloven van de woestijnrand lager. Broedt in rotsspleten, grotten en in oude gebouwen zoals lemen kasba's. Zoekt voedsel door met de snavel naar larven, mieren en kevers in korte vegetatie en mest te graven; afhankelijk van beweid grasland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko algemeen in de Hoge Atlas, de Middenatlas en de Anti-Atlas, met de Jbel Saghro en de kloven van de Dadès en de Todra; schaarser in de Rif. In Algerije in de bergen van het noorden, onder meer de Djurdjura en de Aurès. Uit Tunesië zijn slechts enkele meldingen. In het Midden-Oosten plaatselijk in het gebergte van Koerdistan in Noord-Irak en in het noorden van Syrië; zeldzaam in Libanon. Daarbuiten op de Atlantische kusten van Ierland, Brittannië en Bretagne, in Iberië, de Alpen en op La Palma, en verder van Turkije en de Kaukasus tot Centraal-Azië, de Himalaya en China; een geïsoleerde populatie leeft in het hoogland van Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Todra- en Dadèskloof vliegen ze laag langs de wanden en zijn ze van dichtbij te zien, net als op de pas Tizi n'Tichka. In Oukaïmeden zitten ze samen met alpenkauwen, ideaal om snavels en vleugelvorm te vergelijken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Europa achteruitgegaan door het verdwijnen van extensieve beweiding; in de Atlas nog talrijk, maar ook daar afhankelijk van traditionele veehouderij met kort gegraasde weiden.

Wetenschappelijke naam

Pyrrhocorax pyrrhocorax | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Upupa Pyrrhocorax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pyrrhocorax werd in 1771 ingevoerd door Tunstall. Pyrrhocorax is Grieks, van purrhos 'vuurrood' en korax 'raaf', naar de zwarte kraaiachtige met rode snavel en poten. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland.