Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Afrikaanse oehoe
Afrikaanse oehoe | Bubo africanus
Spotted Eagle-Owl | Búho africano
Een middelgrote, grijsbruine oehoe die in het gidsgebied alleen voorkomt als de Arabische vorm milesi, een kleine, donkere ondersoort van de bergen en wadi's van Zuidwest-Arabië en Oman. Door sommige auteurs wordt deze als aparte soort, de Arabische oehoe (Bubo milesi), beschouwd. Hij is schaars, verborgen en een van de minst bekende uilen van het gebied.
Geluid
Een zacht, hol tweetonig hoe-hoeoe, het tweede deel lager, door het vrouwtje beantwoord met een driedelig hoe-hoe-hoe; vaak in duet en vooral in het eerste uur na zonsondergang. Alarm een hard, kort wak; jongen bedelen met een sissend krassen.
Opname: Charles Hopkins — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Kleiner dan de andere oehoes, met duidelijke oorpluimen en gele ogen. De bovendelen zijn grijsbruin met witte en donkere vlekjes; de onderdelen lichtgrijs tot vuilwit met dichte, fijne donkere dwarsbandering en enkele grovere donkere vlekken op de bovenborst. Het gezicht is grijs met een donkere rand. De Arabische vogels zijn kleiner en donkerder dan die van zuidelijk Afrika, met vaak een warme okertint op de borst. In vlucht vrij kortvleugelig en grootkoppig, met gebandeerde slagpennen.
Verwarringssoorten
De woestijnoehoe (Bubo ascalaphus) is groter en zandkleurig, met oranje ogen en lengtestreepjes in plaats van dwarsbandering op de borst; in de Arabische bergen kunnen beide in dezelfde wadi voorkomen. De ransuil (Asio otus) heeft oranje ogen, een slanker postuur en lengtestrepen. De palestijnse bosuil (Strix hadorami) en de omaanse uil (Strix butleri) missen oorpluimen.
Leefgebied
Rotsige berghellingen, diepe kloven en wadi's met acacia's, vijgen en struiken, vaak in de buurt van terrassen, bronnen en dorpen, van zeeniveau tot boven 2000 m; in Dhofar ook in de moessonbossen en ravijnen van het escarpement. Het nest ligt op een richel, in een holte of in een oud roofvogelnest.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied in de bergen van Zuidwest-Saoedi-Arabië (Asir en zuidelijke Hejaz), in de hooglanden en wadi's van Jemen, in Oman in Dhofar en in het Hajargebergte, en in de Emiraten, waar hij in 2017 voor het eerst werd vastgesteld in het Hajargebergte bij Fujairah. Daarbuiten komt de soort voor in een groot deel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Kenia en Gabon tot Zuid-Afrika.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Dhofar zijn roepende vogels te horen in de wadi's van het escarpement rond Salalah, zoals Wadi Darbat en Ayn Hamran, in de avond na de moesson. In het Asirgebergte rond Abha en in Jemen in diepe wadi's met acacia's. Het helpt om bij schemer een plaats met een goed zicht op een rotswand te kiezen en te luisteren.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de Arabische populatie is klein, verspreid en slecht bekend. Mogelijke bedreigingen zijn verstoring en verlies van bomen in wadi's, vergiftiging van knaagdieren, verkeer en hoogspanningslijnen.
Wetenschappelijke naam
Bubo africanus | (Temminck, 1821)
Temminck beschreef de soort in 1821 als Strix africana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Bubo is het Latijnse woord voor de oehoe. africanus is Latijn voor 'Afrikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.


