Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Afrikaanse nimmerzat
Afrikaanse nimmerzat | Mycteria ibis
Yellow-Billed Stork | Tántalo africano
Een grote witte ooievaar met een rood gezicht, een gele, licht gebogen snavel en een zwarte staart. In het gidsgebied broedt hij niet, maar het Nasser-meer in Zuid-Egypte trekt elke zomer honderden vogels uit de Sahel aan, en in Zuidwest-Arabië is hij een schaarse gast. Daarmee is hij een van de beroemdste Afrikaanse specialiteiten van de West-Palearctis.
Geluid
Buiten de kolonie vrijwel stil. Bij het nest snavelklapperen, piepen en gesis.
Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Het lichaam is wit, in de broedtijd met een roze waas op mantel en vleugeldekveren; slagpennen en staart zijn glanzend groenzwart. Het naakte gezicht en voorhoofd zijn helrood, de lange snavel is geel en aan de punt licht omlaaggebogen. De poten zijn roze tot rood. Jonge vogels zijn grijsbruin met een vuilgele snavel en een doffer oranjeachtig gezicht, en worden pas geleidelijk wit. In de vlucht wit met zwarte slagpennen en een zwarte staart, de hals gestrekt en licht doorhangend, de poten ver uitstekend.
Verwarringssoorten
De ooievaar (Ciconia ciconia) heeft een rode, rechte snavel, rode poten, een witte staart en een bevederde kop zonder rood gezicht. De heilige ibis (Threskiornis aethiopicus) is kleiner, met een zwarte, sterk gebogen snavel en een zwarte naakte kop en hals. Jonge vogels kunnen op afstand grijzig en reigerachtig lijken, maar de stevige, licht gebogen snavel en de ooievaarsbouw zijn kenmerkend.
Leefgebied
Ondiepe oevers van grote meren en stuwmeren, rivierarmen, moerassen en overstroomde vlakten, ook zoutpannen en lagunes. Foerageert lopend door ondiep water, met de half geopende snavel in het water en zwaaiend met een poot om prooien op te jagen; rust in groepen op zandbanken en in dode bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Egypte een regelmatige zomergast op het Nasser-meer, vooral van juni tot september, met een piek half juni–half juli en aantallen tot ruim 500 vogels over het hele meer, onder meer bij Abu Simbel en Toshka; broeden is daar niet vastgesteld en verder naar het noorden langs de Nijl is hij zeldzaam. In Zuidwest-Arabië een schaarse, onregelmatige gast in de Tihama van Jemen en de provincie Jizan in Saoedi-Arabië. Elders een zeldzame dwaalgast, onder meer in Israël en Oman. Daarbuiten broedt hij in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar en zwerft hij na de regentijd rond.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een boottocht of een rit langs de oevers bij Abu Simbel en Toshka in juni–juli geeft de beste kans; de vogels staan vaak in groepen op de ondiepe randen van het meer, samen met reigers en pelikanen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika wijdverbreid, al is hij afhankelijk van seizoensgebonden wetlands en lijdt hij onder drooglegging en verstoring van broedkolonies. Het Nasser-meer is voor deze Afrikaanse soort een belangrijk uitwijkgebied geworden sinds de aanleg van de Aswandam.
Wetenschappelijke naam
Mycteria ibis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tantalus Ibis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mycteria werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Mycteria komt van het Griekse muktēr, 'snuit, neus' — naar de grote, zware snavel. ibis is het Griekse en Latijnse woord voor de heilige ibis van Egypte; Linnaeus hield deze ooievaar ten onrechte voor die vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.

