Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Zwartkopkardinaal

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Zwartkopkardinaal | Pheucticus melanocephalus

Black-headed Grosbeak | Picogordo tigrillo

De zwartkopkardinaal is een dikbek met een zware, tweekleurige snavel; het mannetje heeft een zwarte kop en een oranjebruine borst en halsband. Hij broedt in het westen van Noord-Amerika en in de hooglanden van Mexico. In de winter is hij vooral in Mexico te vinden, van het laagland tot in de bergen.

Zwartkopkardinaal (Pheucticus melanocephalus)
Foto: mark byzewski — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange reeks rijke, fluitende frasen die op en neer gaan, vergelijkbaar met de zang van een lijster. De roep is een scherp, vlak piek, minder piepend dan dat van de roodborstkardinaal.

Luister: ZangXC1150136

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18–21 cm. Snavel zwaar en driehoekig, de bovensnavel donker en de ondersnavel licht. Het mannetje heeft een zwarte kop, een oranjebruine halsband, borst en stuit, een gele vlek midden op de buik, een zwarte rug met oranjebruine strepen, zwarte vleugels met brede witte vleugelstrepen en witte vlekken, en een zwarte staart met witte hoeken; de ondervleugeldekveren zijn geel. Het vrouwtje heeft een bruine kop met een witachtige wenkbrauwstreep en baardstreep, een oranjebruine borst met alleen fijne strepen op de flanken en bruine vleugels met witte vleugelstrepen. Jonge mannetjes lijken op het vrouwtje, met meer oranje en minder strepen.

Verwarrings­soorten

Vrouwtjes en jonge vogels van de roodborstkardinaal Pheucticus ludovicianus hebben een witachtige borst met dichte strepen en een geheel lichte snavel. De gele kardinaal Pheucticus chrysopeplus is groter en geel, met een zwaardere, donkere snavel. De louisianatangare Piranga ludoviciana heeft een veel kleinere snavel.

Leefgebied

Broedt in pijn-eikenbos, eikenbos, galerijbos en halfopen bos in de bergen, in Mexico meestal tussen 1500 en 3000 m. In de winter ook in tropisch droogbos, bosranden, struikgewas, boomgaarden en tuinen, van zeeniveau tot in de bergen. Eet zaden, vruchten en insecten.

Verspreiding en trek

Broedt van het zuidwesten van Canada door het westen van de Verenigde Staten en zuidwaarts in de hooglanden van Mexico tot in Oaxaca. Overwintert vooral in Mexico, van het zuiden van Baja California en Sonora tot Oaxaca, en in kleinere aantallen tot in Veracruz; verder zuidelijk, in Guatemala en daarbuiten, schaars.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vaak te zien bij vruchtdragende bomen en voederplaatsen aan de Pacifische kant van Mexico, bijvoorbeeld in Jalisco en Colima; in het voorjaar zingt hij van boomtoppen in het pijn-eikenbos.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid; de broedpopulatie in Noord-Amerika lijkt stabiel.

Wetenschappelijke naam

Pheucticus melanocephalus | (Swainson, 1827)

Swainson beschreef de soort in 1827 als Guiraca melanocephalus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pheucticus werd in 1850 ingevoerd door Reichenbach. Pheucticus is Grieks, van pheuktikos 'schuw, geneigd te vluchten'. melanocephalus is Grieks, van melas 'zwart' en kephalē 'kop', naar de zwarte kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Temascaltepec, staat Mexico, Mexico.