Alle soorten › Zangvogels › Zijdevliegenvangers › Zwarte zijdevliegenvanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Zwarte zijdevliegenvanger | Phainopepla nitens

Phainopepla | Capulinero negro

De zwarte zijdevliegenvanger is een slanke vogel met een dunne, rechtopstaande kuif en een rood oog, die in woestijnen en droog struweel leeft. Hij zit graag in de top van een struik en leeft voor een groot deel van de bessen van maretakken. In het gidsgebied komt hij voor in Baja California en het noorden en midden van Mexico.

Zwarte zijdevliegenvanger (Phainopepla nitens)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een zacht, omhoog buigend wurp. De zang is zacht en onsamenhangend, met korte fluitende en gorgelende frasen. Bootst ook roepen van andere vogels na.

Luister: ZangXC1078194

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18–21 cm, met een vrij lange staart. Het mannetje is geheel glanzend zwart, met grote witte vlekken aan de basis van de handpennen die alleen in de vlucht goed te zien zijn. Het vrouwtje en jonge vogels zijn effen donkergrijs, met lichtgrijze vleugelvlekken en lichte zomen op de vleugelveren. Beide seksen hebben een rode iris (bij jonge vogels bruin) en een dunne, rechtopstaande kuif.

Verwarrings­soorten

De roodoogkoevogel Molothrus aeneus heeft ook een rood oog, maar is gedrongener, met een dikke, kegelvormige snavel, zonder kuif en zonder witte vleugelvlekken. De grijze zijdevliegenvanger Ptiliogonys cinereus leeft in bergbos, is blauwgrijs met gele onderstaartdekveren en een witte band in de staart. De cederpestvogel Bombycilla cedrorum is bruingrijs met een zwart masker en een gele staartpunt.

Leefgebied

Woestijn en halfwoestijn met struiken en bomen waarin maretak groeit, droge rivierbeddingen met mesquite, doornstruweel, chaparral en oeverbos in droge streken. Eet vooral bessen van maretak en andere struiken en vangt ook insecten in de vlucht vanaf een uitkijkpost.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied in Baja California en Sonora en verder over de woestijnen en hoogvlakten van het noorden van Mexico zuidwaarts tot in Midden-Mexico. Buiten het broedseizoen trekken vogels rond naar plaatsen met bessen. Buiten het gidsgebied in het zuidwesten van de Verenigde Staten.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best te zoeken in droge beddingen met mesquite en maretak; mannetjes zitten vaak rechtop in de top van een struik en vallen in de vlucht op door de witte vleugelvlekken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverbreid en plaatselijk algemeen in droog struweel.

Wetenschappelijke naam

Phainopepla nitens | (Swainson, 1838)

Swainson beschreef de soort in 1838 als Ptilogonys nitens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phainopepla werd in 1858 ingevoerd door Baird. Phainopepla is Grieks, van phaeinos 'glanzend' en peplos 'mantel, gewaad', naar het glanzend zwarte kleed van het mannetje. nitens is Latijn voor 'glanzend, schitterend', naar het glanzend zwarte kleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico (niet nader bepaald).