Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Waglers troepiaal

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Waglers troepiaal | Icterus wagleri

Black-vented Oriole | Bolsero de Wagler

De waglers troepiaal is een oranjegele troepiaal met een zwarte kop, borst, rug, vleugels en staart. Hij leeft in droge, half-open streken van het noorden van Mexico tot het noordwesten van Nicaragua. De zwarte onderstaartdekveren onderscheiden hem van de andere troepialen met een zwarte kop in het gidsgebied.

Waglers troepiaal (Icterus wagleri)
Foto: Laura Gaudette — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gezang is een onregelmatige reeks hoge, wat nasale fluittonen en kwetterende klanken. Roep een nasaal njeh, vaak herhaald, en een droog, ratelend tsjetteren.

Luister: RoepXC910747

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–23 cm. Volwassen vogel met zwarte kop, keel en bovenborst en zwarte rug, vleugels en staart. Buik, flanken, stuit en een vlek op de schouder oranjegeel tot geel. Onderstaartdekveren zwart. Geen witte vleugelstrepen. Snavel slank, licht gebogen en zwart. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels olijfgeel met een zwarte keel; onvolwassen vogels in het tweede jaar met een gevlekt zwart-geel patroon.

Verwarrings­soorten

De scotts troepiaal Icterus parisorum is citroengeel met witte vleugelstrepen en gele onderstaartdekveren. De zwartkoptroepiaal Icterus graduacauda heeft een groengele rug en gele onderstaartdekveren. De witbandtroepiaal Icterus maculialatus heeft een witte vlek op de vleugel en gele onderstaartdekveren. De zwartborsttroepiaal Icterus prosthemelas, van het vochtige laagland aan de Caribische kant, heeft gele onderstaartdekveren. Jonge maskertroepialen Icterus cucullatus hebben een zwarte keel, maar witte vleugelstrepen.

Leefgebied

Droog en halfdroog open bos, doornstruweel, eikenbos en pijn-eikenbos, oeverbos, en tuinen en parken met bomen, vooral tussen ongeveer 500 en 2.500 m. Zoekt insecten, vruchten en nectar, onder meer aan bloeiende agaven en bomen. Bouwt een hangend, buidelvormig nest.

Verspreiding en trek

Van het noorden van Mexico (Sonora, Chihuahua, Coahuila en Nuevo León) zuidwaarts door de hooglanden en de Pacifische helling tot Chiapas, en verder in Guatemala, El Salvador, Honduras en het noordwesten van Nicaragua. Zeldzame dwaalgast in het zuiden van de Verenigde Staten. Grotendeels standvogel; in het noorden trekt in de winter een deel van de vogels naar lagere of zuidelijkere streken.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een vogel die van onderen te zien is, eerst op de onderstaartdekveren controleren: zwart betekent waglers troepiaal, geel wijst op een van de andere troepialen met een zwarte kop.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en vrij algemeen in droge, half-open streken; komt ook voor in tuinen en dorpen.

Wetenschappelijke naam

Icterus wagleri | Sclater, 1857

Sclater beschreef de soort in 1857 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. wagleri eert de Duitse zoöloog Johann Georg Wagler (1800–1832), specialist in reptielen en vogels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico (niet nader bepaald).