Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Schuitbekreiger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes

Schuitbekreiger | Cochlearius cochlearius

Boat-billed Heron | Garza cucharón

De schuitbekreiger is een gedrongen nachtreiger met een uitzonderlijk brede, schuitvormige snavel en grote, donkere ogen. Hij rust overdag in groepjes in dichte bomen boven het water en gaat pas in de schemering op voedseljacht. In het gidsgebied is hij een standvogel van mangrove, moerasbos en rivieroevers in het laagland, van het noordwesten en noordoosten van Mexico tot in Panama.

Schuitbekreiger (Cochlearius cochlearius)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, kwakend kwok of kwa en een reeks snelle, hoge kwaakgeluiden; bij de nestplaats klepperen met de snavel en zachte, koerende geluiden. Vooral 's avonds en 's nachts te horen.

Luister: ZangXC858782

Opname: Leonardo Guzman Hernandez — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

45–51 cm. Een compacte reiger met een korte hals, een grote kop en een brede, platte snavel die van boven op een omgekeerde boot lijkt. De ogen zijn zeer groot en donker. Volwassen vogels hebben een zwarte kap met een lange, brede zwarte kuif, een wit voorhoofd en een witachtig gezicht, een lichtgrijze rug, een witte tot okerkleurige borst en een kaneelbruine buik met zwarte flanken. De kale huid onder de snavel is zwart of groenig; de poten zijn geelgroen. Jonge vogels zijn effen bruin van boven en lichter van onder, met een donkere kap zonder lange kuif. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De kwak Nycticorax nycticorax en de geelkruinkwak Nyctanassa violacea hebben een smalle, puntige snavel en kleinere ogen; jonge vogels van beide zijn bruin met witte vlekken of strepen, niet effen bruin. Bij goed licht is de brede snavel altijd beslissend.

Leefgebied

Mangrove, moerasbos, overstromingsbos en dichte oevervegetatie langs langzaam stromende rivieren, lagunes en meren, vooral in het laagland. Overdag rust hij verborgen in dichte bomen boven het water, vaak in groepjes; 's nachts jaagt hij staand of zittend aan de waterkant op vis, kikkers, garnalen en krabben, waarbij hij de brede snavel als schepnet gebruikt. Broedt alleen of in kleine kolonies, met het nest in een boom of struik boven het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Mexico aan de Pacifische kant van Sinaloa zuidelijk tot Chiapas, en aan de Golfkant van het zuiden van Tamaulipas over Veracruz en Tabasco tot het schiereiland Yucatán. Verder in het laagland van heel Midden-Amerika, van Belize en Guatemala tot Panama. Buiten het gidsgebied in een groot deel van tropisch Zuid-Amerika, tot in het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij boottochten door de mangrove rond San Blas in Nayarit, in de kanalen van Tortuguero en bij Caño Negro in Costa Rica en in de lagunes van Belize worden rustende groepjes vaak tussen de takken boven het water opgemerkt. In de schemering vliegen de vogels uit naar hun jachtplekken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk algemeen, maar gevoelig voor kap van mangrove en ontwatering van moerasbos.

Wetenschappelijke naam

Cochlearius cochlearius | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Cancroma Cochlearia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cochlearius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Cochlearius komt van het Latijnse cochlear 'lepel', naar de brede, schepvormige snavel. cochlearius herhaalt de geslachtsnaam, van het Latijnse cochlear 'lepel', naar de brede, schepvormige snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Guyana's (niet nader bepaald).