Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Rozebuikgors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Rozebuikgors | Passerina rositae

Rose-bellied Bunting | Colorín azulrosa

De rozebuikgors is een gors met een zeer klein verspreidingsgebied: hij leeft alleen in droog bos op de heuvels aan de Pacifische kant van de landengte van Tehuantepec in het zuiden van Mexico. Het mannetje is donkerblauw met een roze buik. De soort is schuw en houdt zich op in dichte ondergroei.

Rozebuikgors (Passerina rositae)
Foto: Dan Vickers — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zoete, warbelende reeks heldere noten, vergelijkbaar met die van verwante gorzen. De roep is een scherp tsjik.

Luister: ZangXC1169378

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Kegelvormige grijze snavel. In beide geslachten een onderbroken witte oogring. Het mannetje is donker paarsachtig blauw op kop, rug, keel en borst, met helderder blauw op voorhoofd, schouder en stuit, en roze tot rozerode onderborst en buik. Het vrouwtje is grijsbruin van boven met een blauwe zweem op vleugels, stuit en staart, okerbruin op de borst en roze getint op de buik.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de regenbooggors Passerina leclancherii, die aan dezelfde kust voorkomt, is turkoois en groen van boven met gele tot oranje onderdelen; het vrouwtje is olijfgroen met geelachtige onderdelen. Het mannetje van de veelkleurengors Passerina versicolor is donker paarsachtig met een rode nek; het vrouwtje is egaal grijsbruin zonder witte oogring en zonder roze tint. Het vrouwtje van de purpergors Passerina ciris is groen. Het mannetje van de azuurbisschop Cyanocompsa parellina is blauwzwart zonder roze.

Leefgebied

Ondergroei van droog en halfvochtig bos op heuvelhellingen en in ravijnen, ook doornbos en dichte struiken aan bosranden; meestal tussen 100 en 900 m. Leeft verborgen in dichte vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het gidsgebied, en zelfs voor een klein deel ervan: alleen aan de Pacifische kant van de landengte van Tehuantepec, in het zuidoosten van Oaxaca en het uiterste westen van Chiapas.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vroeg in de ochtend in droog heuvelbos bij de landengte van Tehuantepec, waar de mannetjes zingen vanuit de ondergroei of vanaf een lage tak; vaak samen met de regenbooggors.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT). Zeer klein verspreidingsgebied; het droge bos waarvan de soort afhangt, wordt gekapt en in brand gestoken voor veeteelt en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Passerina rositae | (Lawrence, 1874)

Lawrence beschreef de soort in 1874 als Cyanospiza rositae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Passerina komt van het Latijnse passerinus 'musachtig', bij passer 'mus'. rositae eert een zekere Rosita; Lawrence legde de naam niet uit en wie zij was, is onbekend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cacoprieto, landengte van Tehuantepec, Oaxaca, Mexico.