Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Motmots › Rosse motmot

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves › Neushoornvogels, ijsvogels en spechten Picocoraciae › IJsvogels, bijeneters en spechten Picodynastornithes

Rosse motmot | Baryphthengus martii

Rufous Motmot | Momoto canelo mayor

De rosse motmot is de grootste motmot van het gidsgebied, een roestbruine bosvogel met een lange staart met vlaggen. Hij leeft in vochtig laaglandbos van Honduras tot Panama en verder in Zuid-Amerika. De wetenschappelijke naam eert de Duitse natuuronderzoeker Carl Friedrich Philipp von Martius.

Rosse motmot (Baryphthengus martii)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, hol hoe-doe-doe of een snelle, rollende reeks lage hoe-noten, vaak in duet of in koor van meerdere vogels, vooral in de schemering voor zonsopkomst. Lager en sneller dan de roep van Momotus-soorten.

Luister: ZangXC1180619

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

42–47 cm, inclusief de staartvlaggen. Kop, hals en onderdelen zijn warm kaneelbruin, met een breed zwart masker door het oog en een kleine zwarte vlek op de borst; de onderbuik is groenig. Rug en vleugels zijn groen, de handpennen blauwachtig. De staart is lang, groen tot blauwgroen, en de twee middelste staartpennen eindigen in grote vlaggen aan een kort kaal stuk schacht. De snavel is zwart, stevig en licht gebogen. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De breedsnavelmotmot Electron platyrhynchum heeft een vergelijkbaar kleurpatroon, maar is veel kleiner (30–35 cm), heeft een turquoise kin, een groene buik en een brede, platte snavel. De Caribische motmot Momotus subrufescens en de lessons motmot Momotus lessonii hebben een zwarte kruin met een blauwe ring en zijn op de onderdelen groener of doffer bruin.

Leefgebied

Vochtig laaglandbos en voetheuvelbos tot ongeveer 1300 m, vooral gesloten bos met een hoog bladerdak, ook hoog secundair bos. Zit in de middelste boomlaag en eet grote insecten, kleine gewervelde dieren en vruchten; volgt soms troepen trekmieren. Broedt in een lange, zelfgegraven tunnel in een oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Caribische kant van het oosten van Honduras, Nicaragua en Costa Rica, in Costa Rica plaatselijk ook in het zuidwesten, en Panama aan beide kanten tot Darién. Buiten het gidsgebied in Colombia, Ecuador, Peru, het westen van Brazilië en Bolivia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij La Selva in Costa Rica en langs de Camino del Oleoducto (Pipeline Road) in Soberanía in Panama is het lage duet in de vroege ochtend geregeld te horen. De vogel zit vaak hoger in het bos dan andere motmots en wordt daardoor vooral aan het duet opgemerkt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Afhankelijk van gesloten bos en daardoor gevoelig voor kap, maar in een groot gebied aanwezig.

Wetenschappelijke naam

Baryphthengus martii | (Spix, 1824)

Spix beschreef de soort in 1824 als Prionites martii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Baryphthengus werd in 1860 ingevoerd door Cabanis & Heine. Baryphthengus is Grieks, van barus 'zwaar, diep' en phthengomai 'spreken': 'met diepe stem', naar de lage, hoe-hoe-achtige roep. martii eert de Duitse botanicus Carl Friedrich Philipp von Martius (1794–1868), die van 1817 tot 1820 in Brazilië verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Belém (Pará), Brazilië.