Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Roodbuikjuweelkolibrie
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Roodbuikjuweelkolibrie | Lampornis castaneoventris
White-throated Mountaingem | Colibrí montañés gorgiblanco
De roodbuikjuweelkolibrie is de juweelkolibrie van de hoogste bergbossen van Costa Rica en het westen van Panama. De Nederlandse en wetenschappelijke naam verwijzen naar de roodbruine onderkant van het vrouwtje; het mannetje heeft een witte keel. Bij voederplekken in het eikenbos van de Talamanca is hij een vaste verschijning.
Geluid
Een droog tsjik, en bij achtervolgingen een ratelend gekwetter.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
10–11 cm, met een rechte zwarte snavel. De bovendelen zijn groen, met een witte streep achter het oog en een donkere wangvlek. Het mannetje heeft een witte keel en grijze onderdelen; de staart is in Costa Rica grijs, in Panama donkerder blauwzwart. Het vrouwtje heeft een kaneelkleurige tot roodbruine keel en onderkant en een grijze of donkere staart met lichte toppen.
Verwarringssoorten
De purperkeeljuweelkolibrie Lampornis calolaemus leeft lager in de bergen; het mannetje heeft een purperen keel en een blauwzwarte staart. De vrouwtjes van beide soorten zijn in het veld nauwelijks te scheiden. De witbuikjuweelkolibrie Lampornis hemileucus heeft een witte buik en leeft lager, op de Caribische helling. De vulkaankolibrie Selasphorus flammula is veel kleiner en heeft roestbruin in de staart.
Leefgebied
Eikenbos en bergregenwoud met mossen en bamboe, bosranden, struikgewas tot aan de boomgrens en tuinen, ongeveer tussen 2000 en 3000 m, plaatselijk lager. Foerageert in de ondergroei en de middelste lagen, vooral bij bloemen van heideachtige struiken en salvia's, en vangt kleine insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Endemisch voor het gidsgebied. In de hooglanden van Costa Rica, vooral in de Cordillera de Talamanca, en in het westen van Panama in Chiriquí en aangrenzend Bocas del Toro.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bij de voederplekken van lodges in de vallei van San Gerardo de Dota en langs de Interamericana bij de Cerro de la Muerte in Costa Rica; in Panama op de hellingen van de vulkaan Barú en bij Cerro Punta.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In geschikt leefgebied algemeen. Het verspreidingsgebied is klein, maar ligt grotendeels in beschermde gebieden.
Wetenschappelijke naam
Lampornis castaneoventris | (Gould, 1851)
Gould beschreef de soort in 1851 als Trochilus (--?) castaneoventris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lampornis werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Lampornis is Grieks, van lampē 'fakkel, licht' en ornis 'vogel': 'lichtvogel', naar de glanzende keel. castaneoventris is Latijn, van castaneus 'kastanjebruin' en venter 'buik', naar de bruinige buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cordillera de Chiriquí (ca. 1800 m), Panama.



