Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Prairiezanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Prairiezanger | Setophaga discolor

Prairie Warbler | Chipe de pradera

De prairiezanger is een kleine, gele zanger met zwarte flankstrepen die laag in struiken foerageert en vaak met de staart wipt. Ondanks de naam broedt hij niet op de prairie maar in struikgewas en jong bos in het oosten van de Verenigde Staten. In het gidsgebied is hij een wintergast, vooral langs de kust van het schiereiland Yucatán en op de eilanden voor de Caribische kust.

Prairiezanger (Setophaga discolor)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van zes tot tien zoemende noten die steeds hoger wordt, ongeveer zie zie zie zie zie ziie; in het gidsgebied vooral in het voorjaar te horen. De roep is een vol tsjip of tsjek, de vluchtroep een hoog sie.

Luister: ZangXC1107431

Opname: Mario Reyes Jr — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Olijfgroene bovendelen, heldergele onderdelen met zwarte strepen op de flanken, een gele wenkbrauwstreep en een gele halve maan onder het oog, gescheiden door een donkere oogstreep, en een donkere streep onder de wang. Het mannetje heeft roodbruine streepjes op de rug, die in het veld vaak nauwelijks zichtbaar zijn. Vrouwtjes en jonge vogels zijn doffer, met grijzige wangtekening en vagere strepen. Wipt geregeld met de staart.

Verwarrings­soorten

De palmzanger Setophaga palmarum wipt ook met de staart, maar is bruiniger, met een gele onderstaart en vooral witte tot bleekgele onderdelen. De magnoliazanger Setophaga magnolia heeft een gele stuit, een witte oogring of witte streep achter het oog en een witte band midden over de staart. Het vrouwtje van de mangrovezanger Setophaga petechia heeft geen zwarte flankstrepen en een effen gezicht.

Leefgebied

In de winter struikgewas en laag bos aan de kust, de randen van mangrove, droog seizoensbos, tuinen, open plekken met struiken en begroeide cays; meestal dicht bij zeeniveau. Zoekt laag in de vegetatie naar insecten.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten en zuidoosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuidoosten van Canada. Overwintert in Florida, West-Indië en langs de Caribische kust van Midden-Amerika. In het gidsgebied vrij algemeen op Cozumel, de eilanden en de kust van Quintana Roo, de cays van Belize en de eilanden van Honduras; schaarser elders op het schiereiland Yucatán en langs de Caribische kust tot Nicaragua; zeldzaam verder zuidelijk en aan de Pacifische kant.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kustbegroeiing en tuinen op Cozumel en langs de kust van Quintana Roo zijn de beste plek; een kleine gele zanger die met de staart wipt en laag in de struiken blijft, is daar meestal deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Nog vrij algemeen, maar de broedpopulatie is sinds de jaren zestig flink afgenomen doordat struikgewas en jong bos in het broedgebied verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Setophaga discolor | (Vieillot, 1809)

Vieillot beschreef de soort in 1809 als Sylvia discolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. discolor is Latijn voor 'veelkleurig, van verschillende kleur', naar het bonte geel, zwart en olijfgroen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Antillen (niet nader bepaald).