Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Pacifische orpheuswinterkoning

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Pacifische orpheuswinterkoning | Cyphorhinus phaeocephalus

Song Wren | Cucarachero canoro

De pacifische orpheuswinterkoning is een gedrongen, donkerbruine winterkoning met een roodbruine keel en borst en een kale, lichtblauwe huid rond het oog. Groepjes zoeken over de bosbodem van vochtig laaglandbos en laten een opmerkelijke mengeling van heldere fluittonen en keelklanken horen.

Pacifische orpheuswinterkoning (Cyphorhinus phaeocephalus)
Foto: Aitor Gonzalo — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks heldere, fluitende tonen op wisselende hoogte, afgewisseld met lage, rauwe kloktonen en ratels; de combinatie is kenmerkend. Groepjes laten tijdens het foerageren ook harde, rauwe roepen horen.

Luister: AlarmroepXC639641

Opname: William Adsett — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Bovendelen donker roodbruin, kruin donkerder bruin; vleugels en korte staart met zwarte banden. Rond het oog een kale, lichtblauwe huid. Keel, wangen en borst helder roodbruin, buik en flanken donkerbruin. Snavel vrij zwaar, met een opvallende rug op de bovensnavel. Mannetje en vrouwtje gelijk.

Verwarrings­soorten

De witborstboswinterkoning Henicorhina leucosticta is kleiner, met een gestreepte kop en een witte borst. De kastanjewinterkoning Cantorchilus nigricapillus heeft een zwarte kop met wit in het gezicht en zoekt hoger in de ondergroei. De nachtegaalwinterkoningen Microcerculus missen de blauwe oogring en de roodbruine borst.

Leefgebied

Bodem en lage ondergroei van vochtig, altijdgroen laaglandbos en voetheuvelbos, vooral in het binnenste van het bos, soms in oud secundair bos. Groepjes of paren draaien bladeren om op zoek naar insecten en andere ongewervelden en volgen soms trekmierenzwermen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Caribische kant van Honduras, Nicaragua en Costa Rica en een groot deel van Panama. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Geregeld te horen bij La Selva in Costa Rica en langs de Camino del Oleoducto (Pipeline Road) in Panama. Let op de mengeling van fluittonen en keelklanken uit de ondergroei; groepjes trekken langzaam over de bosbodem.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Afhankelijk van gesloten bos en gevoelig voor ontbossing, maar in grotere bosgebieden algemeen.

Wetenschappelijke naam

Cyphorhinus phaeocephalus | Sclater, 1860

Sclater beschreef de soort in 1860 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cyphorhinus werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Cyphorhinus is Grieks, van kuphos 'bult' en rhis 'neus', naar de bolle, gewelfde snavelrug. phaeocephalus is Grieks, van phaios 'donker, schemerig' en kephalē 'kop', naar de donkerbruine kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Esmeraldas, Ecuador.