Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Oostelijke schreeuwuil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Oostelijke schreeuwuil | Megascops asio

Eastern Screech Owl | Tecolote oriental

De oostelijke schreeuwuil is de kleine uil met oorpluimen van het oosten van Noord-Amerika. In het gidsgebied komt hij alleen in het noordoosten van Mexico voor, aan de zuidrand van zijn verspreidingsgebied. Hij leeft in oeverbos, doornstruweel en bosranden en ook in dorpen en parken. Hij is uitsluitend ’s nachts actief en wordt vooral aan de hinnikende zang opgemerkt.

Oostelijke schreeuwuil (Megascops asio)
Foto: Bettina Arrigoni — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Twee zangen: een dalend en golvend gehinnik van ruim een seconde, als het hinniken van een klein paard in de verte, en een gelijkmatige, snorrende triller op één toon van drie tot vijf seconden, die partners onderling gebruiken. Het mannetje zingt lager dan het vrouwtje. Bij verstoring blafjes en snavelklappen.

Luister: ZangXC1071056

Opname: Noah Khanti Steinberg — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–25 cm, gedrongen, met een grote, brede kop, korte oorpluimen en een korte staart. Het verenkleed is grijs met zware zwarte lengtestrepen en fijne dwarsbanden op de onderdelen; elders in het verspreidingsgebied bestaat ook een roodbruine vorm, maar bij de vogels van het zuiden van Texas en het noordoosten van Mexico is die zeldzaam. De ogen zijn geel, de snavel is bleek geelgroen. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; het vrouwtje is zwaarder.

Verwarrings­soorten

De westelijke schreeuwuil Megascops kennicottii lijkt sterk, maar heeft een donkergrijze tot zwartachtige snavel en zingt een reeks fluittonen die steeds sneller op elkaar volgen; in Mexico leeft hij vooral westelijker, op de hoogvlakte en in de woestijnen. De roodwangschreeuwuil Megascops guatemalae, in het zuiden van Tamaulipas, is bruiner, fijn gemarmerd op de onderdelen en zingt een lange triller. De Amerikaanse oehoe Bubo virginianus heeft dezelfde vorm, maar is vele malen groter.

Leefgebied

Oeverbos langs rivieren en beken, doornstruweel met grotere bomen, bosranden en de lagere delen van eiken- en nevelwoud in de Sierra Madre Oriental, ook boomrijk weideland, dorpen, erven en parken. Broedt in boomholten, oude spechtenholen en nestkasten. Jaagt ’s nachts vanaf een zitpost op grote insecten, rivierkreeftjes, muizen, kleine vogels en kikkers.

Verspreiding en trek

Plaatselijke standvogel in het noordoosten van Mexico: in het oosten van Coahuila, in Nuevo León en in Tamaulipas, zuidwaarts tot de omgeving van Gómez Farías en het biosfeerreservaat El Cielo in het zuiden van Tamaulipas. Meldingen verder naar het zuiden, uit San Luis Potosí en Veracruz, zijn oud en onzeker. Buiten het gidsgebied in het oosten van Noord-Amerika, van het zuiden van Canada tot Florida en Texas.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de omgeving van Monterrey in Nuevo León en rond Gómez Farías in Tamaulipas is het gehinnik ’s avonds te horen in oeverbos en dorpen met grote bomen. Overdag rust hij in een holte of tegen een stam, waar kleine zangvogels hem soms luid alarmerend omringen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in Noord-Amerika algemeen en past zich goed aan aan dorpen en parken met oude bomen; in het noordoosten van Mexico is hij plaatselijk algemeen en afhankelijk van oeverbos en holten in oude bomen.

Wetenschappelijke naam

Megascops asio | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix Asio; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megascops werd in 1848 ingevoerd door Kaup. Megascops combineert het Griekse megas 'groot' met Scops, de oude geslachtsnaam van de dwergooruilen. asio is Latijn voor een soort ooruil, al bij Plinius genoemd, naar de oorpluimen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.