Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Musgors
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Musgors | Spizella passerina
Chipping Sparrow | Gorrión ceja blanca
De musgors is een kleine, slanke gors met een roodbruine kruin. In Noord-Amerika is hij een algemene broedvogel van parken en tuinen; in het gidsgebied leven daarnaast standvogels in de pijnbossen van de hooglanden, van het noorden van Mexico tot Nicaragua. In de winter komen daar grote aantallen trekvogels uit het noorden bij.
Geluid
De zang is een droge, mechanische triller op één toonhoogte, zoals tsjipipipipipipi, enkele seconden lang. De roep is een kort, scherp tsip; in vlucht een dun tsiet.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–15 cm. Klein en slank, met een vrij lange, licht gevorkte staart en een kleine snavel. In broedkleed een egaal roodbruine kruin, een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep die tot aan de snavel doorloopt. Wang, nek en onderdelen egaal grijs, rug bruin met zwarte strepen, stuit grijs. Snavel donker in de broedtijd. In winterkleed en bij jonge vogels is de kruin bruin gestreept, de wenkbrauwstreep okerkleurig en de snavel lichter, maar de donkere oogstreep tot aan de snavel en de grijze stuit blijven. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De bleke gors Spizella pallida heeft een okerbruine wang met een donkere omlijsting, een lichte middenkruinstreep, geen donkere teugel en een bruine stuit. Brewers gors Spizella breweri is fijner gestreept op kop en nek, mist een duidelijke middenkruinstreep en heeft een witte oogring. De veldgors Spizella pusilla heeft een roze snavel, een grijs gezicht met witte oogring en geen zwarte oogstreep.
Leefgebied
Open pijn- en pijn-eikenbos met grasondergroei, bosranden en weiland met verspreide bomen in de hooglanden; in Belize, Honduras en Nicaragua ook pijnsavanne in het laagland. In de winter daarnaast parken, tuinen, akkerranden en ander halfopen terrein. Zoekt op de grond naar zaden, vaak in groepen, en vliegt bij verstoring naar een boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt van Canada over grote delen van de Verenigde Staten tot in Mexico en Midden-Amerika. In het gidsgebied standvogel in de hooglanden van Mexico, van de Sierra Madre Occidental en Oriental tot de Transmexicaanse Vulkanengordel en Chiapas, en verder in de hooglanden van Guatemala, El Salvador, Honduras en het noorden van Nicaragua; daarnaast in de pijnsavannen van Belize, het oosten van Honduras en het noordoosten van Nicaragua. Noord-Amerikaanse trekvogels overwinteren over een groot deel van Mexico, vooral in het noorden en op de centrale hoogvlakte.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De droge triller is in pijnbossen vaak het eerste teken; in de winter zitten groepen op de grond langs bosranden en vliegen ze samen naar een boom op.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Een van de talrijkste gorzen van Noord-Amerika en in de hooglanden van het gidsgebied plaatselijk algemeen. De geïsoleerde populaties in de pijnsavannen van Midden-Amerika zijn afhankelijk van open pijnbos en gevoelig voor ontbossing en veranderingen in het brandregime.
Wetenschappelijke naam
Spizella passerina | (Bechstein, 1798)
Bechstein beschreef de soort in 1798 als Fringilla passerina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spizella werd in 1831 ingevoerd door Bonaparte. Spizella is een verkleinwoord van het Griekse spiza 'vink': 'vinkje'. passerina is Latijn voor 'mussachtig', van passer 'mus'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Quebec (stad), Canada.




