Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Kleine mantelmeeuw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Kleine mantelmeeuw | Larus fuscus

Lesser Black-backed Gull | Gaviota sombría

De kleine mantelmeeuw is een meeuw uit Europa die sinds de jaren zeventig in steeds grotere aantallen in Noord-Amerika overwintert. Ook in het gidsgebied is ze sterk toegenomen: aan de noordkust van Yucatán is ze in de winter plaatselijk algemeen, en in Panama wordt ze geregeld gezien. Het gaat om vogels uit IJsland en Noordwest-Europa, en mogelijk ook uit Groenland.

Kleine mantelmeeuw (Larus fuscus)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lage, nasale kjauw en een lange roep van lachende tonen, dieper en ruwer dan bij de Amerikaanse zilvermeeuw.

Luister: VluchtroepXC1065457

Opname: Francesco Sottile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

52–64 cm, een slanke meeuw met lange vleugels die ver voorbij de staart uitsteken, een gele snavel met een rode vlek, gele poten en een lichtgeel oog. Volwassen vogels hebben een leigrijze tot zwartachtige mantel en vleugels, met kleine witte vlekken in de vleugelpunt en een witte achterrand; in de winter is de kop dicht bruin gestreept, vooral rond het oog. De vogels in Amerika behoren vooral tot de ondersoort L. f. graellsii, met een leigrijze mantel. Jonge vogels zijn donker grijsbruin met een zwarte snavel, donkere binnenste handpennen zonder licht venster, een witte stuit en een brede zwarte staartband.

Verwarrings­soorten

De kelpmeeuw Larus dominicanus en de Pacifische mantelmeeuw Larus occidentalis zijn zwaarder, met een dikkere snavel, kortere vleugels en groengele respectievelijk roze poten. De Californische mantelmeeuw Larus livens heeft ook gele poten, maar is zwaarder en leeft in de Golf van Californië. Jonge vogels lijken op jonge Amerikaanse zilvermeeuwen Larus smithsonianus, die egaler bruin zijn, met een licht venster in de binnenste handpennen en een donkerder stuit en staart.

Leefgebied

Stranden, lagunes, havens, riviermondingen en slikken, vaak tussen andere meeuwen; ook bij vissersboten en vuilnisbelten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In de winter vooral aan de noordkust van het schiereiland Yucatán, rond Progreso, waar ze plaatselijk algemeen is; verder in kleinere aantallen langs de Golfkust van Tamaulipas tot Campeche en in Quintana Roo, en zeldzaam in het noordwesten en het binnenland van Mexico. In Midden-Amerika schaars aan de Caribische kust van Belize en Honduras en geregeld, in groeiende aantallen, aan de Pacifische kust van Panama, met verder gevallen van Guatemala tot Costa Rica. Buiten het gidsgebied broedt de soort in IJsland, Noord- en West-Europa en Groenland, en overwintert ze van West-Europa tot West-Afrika en langs de oostkust van Noord-Amerika.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Groepen meeuwen op de stranden en in de havens van de noordkust van Yucatán bieden in de winter de meeste kans. De donkere mantel en de gele poten bij een slanke meeuw met lange vleugels zijn de beste kenmerken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is groot, en het aantal vogels dat in Amerika overwintert is sinds de jaren zeventig sterk toegenomen. In het gidsgebied een wintergast zonder broedpopulatie.

Wetenschappelijke naam

Larus fuscus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus voerde hij in datzelfde werk in. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. fuscus is Latijn voor 'donker', zwart of bruin, naar de donkere mantel en vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.