Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Kleine burgemeester
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Kleine burgemeester | Larus glaucoides
Iceland Gull | Gaviota polar
De kleine burgemeester omvat sinds de samenvoeging met de thayers meeuw drie vormen: de lichte nominaatvorm uit Groenland, de vorm kumlieni uit Noordoost-Canada en de donkerder vorm thayeri uit het Canadese Noordpoolgebied. In het gidsgebied is de soort een schaarse wintergast, vrijwel steeds van de vorm thayeri, vooral in het noorden van de Golf van Californië.
Geluid
Een hoog, schel kjauw en lachende reeksen, hoger dan bij de Amerikaanse zilvermeeuw; in de winter weinig roepend.
Opname: Frank Roos — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
52–60 cm, een middelgrote tot grote meeuw met een ronde kop, een vrij korte gele snavel met een rode vlek, roze poten en een licht tot donker oog. Volwassen vogels van de vorm thayeri hebben een lichtgrijze mantel en vleugelpunten met grijszwarte buitenvlaggen en veel wit; van onderen lijkt de vleugelpunt vrijwel geheel licht. In de winter zijn kop en hals bruin gevlekt. Jonge vogels zijn egaal lichtbruin geschubd, met lichte binnenvlaggen van de handpennen die in vlucht doorschijnend lijken.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse zilvermeeuw Larus smithsonianus is groter, met een hoekiger kop, een zwaardere snavel en zwarte vleugelpunten die ook van onderen donker zijn. De beringmeeuw Larus glaucescens is groter en zwaarder, met een dikke snavel en grijze vleugelpunten zonder zwart. De Californische meeuw Larus californicus heeft groengele poten, een donkerder mantel en een zwarte en een rode vlek op de snavel.
Leefgebied
Stranden, lagunes, havens en vuilnisbelten, meestal tussen groepen andere grote meeuwen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In de winter schaars langs de kusten van Baja California en Sonora, vooral in het noorden van de Golf van Californië, en zeldzaam zuidelijker tot Baja California Sur en Nayarit. Aan de Golfkust zeldzaam, vooral in Tamaulipas, met een enkel geval verder zuidelijk, onder meer in Belize. Buiten het gidsgebied broedt de soort in het noorden en noordoosten van Canada en op Groenland, en overwintert ze langs de kusten van Noord-Amerika, aan de Grote Meren en in Noordwest-Europa.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Groepen grote meeuwen in het noorden van de Golf van Californië, zoals bij Puerto Peñasco, bieden in de winter de meeste kans. De ronde kop, de korte snavel en de van onderen lichte vleugelpunten zijn de beste kenmerken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is groot, maar door het afgelegen broedgebied slecht bekend. In het gidsgebied een schaarse wintergast zonder broedpopulatie.
Wetenschappelijke naam
Larus glaucoides | Meyer, 1822
Meyer beschreef de soort in 1822 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. glaucoides betekent 'lijkend op Larus glaucus', een oude naam van de grote burgemeester; het achtervoegsel -oides is Grieks voor 'gelijkend op'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit IJsland.



