Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote franjepoot

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Grote franjepoot | Phalaropus tricolor

Wilson's Phalarope | Falaropo tricolor

De grote franjepoot is de grootste van de drie franjepoten en de enige die niet op zee overwintert. Hij broedt in de prairies van het westen van Noord-Amerika en trekt over land naar de zoutmeren van de Andes en Argentinië; het noorden en midden van Mexico liggen op zijn hoofdroute. Zoals bij alle franjepoten zijn de rollen omgekeerd: het vrouwtje is groter en feller gekleurd, en het mannetje broedt de eieren uit.

Grote franjepoot (Phalaropus tricolor)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd weinig geluid; een zacht, nasaal wurk of vimp, vooral in de vlucht.

Luister: RoepXC836128

Opname: Aluisio Ribeiro — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–24 cm, slank, met een kleine kop, een lange, naaldfijne zwarte snavel en gelobde tenen. In het winterkleed effen lichtgrijs van boven en wit van onder, met een witte voorkop en wenkbrauw en een grijze streep achter het oog; geen zwarte oogvlek. De poten zijn dan geelachtig. Het vrouwtje in broedkleed heeft een lichtgrijze kruin, een zwarte streep van oog tot halszijde die overgaat in kastanjebruin, een roomkleurige voorhals en grijze en kastanjebruine rugstrepen; het mannetje is doffer. Jonge vogels hebben bruine, licht gezoomde bovendelen. In de vlucht geen vleugelstreep, wel een witte stuit en een lichtgrijze staart.

Verwarrings­soorten

De grauwe franjepoot Phalaropus lobatus is kleiner, met een kortere snavel, een zwarte oogvlek in het winterkleed en een witte vleugelstreep. De kleine geelpootruiter Tringa flavipes heeft ook een witte stuit en gele poten, maar is langerpotig, donkerder en gestippeld van boven. De steltstrandloper Calidris himantopus heeft een langere, aan de punt licht gebogen snavel en groenige poten.

Leefgebied

Zoutmeren en sodameren van de hoogvlakte, ondiepe lagunes, zoutpannen, garnalenvijvers, oevers van stuwmeren en ondergelopen weiden. Anders dan de andere franjepoten loopt hij veel over slik en langs de waterlijn, pikkend naar insecten; zwemmend draait hij soms snel rondjes om prooi naar het oppervlak te halen. Pleistert op zoutmeren soms in groepen van honderden tot duizenden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Doortrekker door het grootste deel van Mexico, vooral over de hoogvlakte en langs de Pacifische kust, met grote aantallen op de zout- en sodameren van het noorden en midden van het land. In Midden-Amerika een schaarse doortrekker, vooral aan de Pacifische kant, en in het Caribische laagland zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt de soort in het binnenland van West-Canada en de westelijke Verenigde Staten en overwintert zij op de zoutmeren van de Andes en in Argentinië.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoutmeren en zoutpannen met groepen strandlopers en geelpootruiters zijn de plaats om naar een lichtgrijze steltloper met een naaldsnavel te zoeken, vooral van eind juli tot in september. In de vlucht is het ontbreken van een vleugelstreep in combinatie met de witte stuit een goed kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Voor de trek is de soort afhankelijk van enkele grote zoutmeren in het westen van Noord-Amerika en het noorden van Mexico, waar waterwinning en verdroging het voedselaanbod kunnen verminderen.

Wetenschappelijke naam

Phalaropus tricolor | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Steganopus tricolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaropus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalaropus gaat via het Franse phalarope terug op het Griekse phalaris 'meerkoet' en pous 'voet': net als meerkoeten hebben franjepoten gelobde tenen. tricolor is Latijn voor 'driekleurig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.