Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Rosse franjepoot

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Rosse franjepoot | Phalaropus fulicarius

Red Phalarope | Falaropo picogrueso

De rosse franjepoot is een zwemmende steltloper die buiten de broedtijd vrijwel uitsluitend op open zee leeft. Hij broedt op de arctische toendra en overwintert in koude, voedselrijke zeegebieden, onder meer voor de Pacifische kust van Baja California en het westen van Mexico. Zoals bij alle franjepoten is het vrouwtje groter en feller gekleurd, en broedt het mannetje de eieren uit.

Rosse franjepoot (Phalaropus fulicarius)
Foto: USFWS - Pacific Region — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee een kort, hoog piek of twiet, vooral in de vlucht en uit groepen.

Luister: RoepXC1063401

Opname: Avery Bartels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm, wat gedrongener dan de andere franjepoten, met een kortere, dikkere snavel en gelobde tenen. In het winterkleed, het kleed dat in het gidsgebied vrijwel altijd te zien is, effen lichtgrijs van boven en wit van onder, met een witte kop, een donkere kruinvlek en een zwarte vlek van het oog naar achteren; de snavel is dan zwart, soms met een gelige basis. In de vlucht een brede witte vleugelstreep. Het vrouwtje in broedkleed is van onder diep kastanjerood, met een witte wangvlek, een zwarte kruin en een gele snavel met zwarte punt; het mannetje is doffer. Jonge vogels hebben in de herfst nog donkere, licht gezoomde rugveren. Ligt hoog en licht op het water.

Verwarrings­soorten

De grauwe franjepoot Phalaropus lobatus is kleiner en fijner, met een dunnere, naaldfijne snavel, een donkerder grijze rug met lichte strepen en een smallere vleugelstreep. De grote franjepoot Phalaropus tricolor heeft een lange naaldsnavel, geen vleugelstreep en geen zwarte oogvlek, en is zelden op zee te zien. De drieteenstrandloper Calidris alba heeft een vergelijkbaar winterkleed, maar zwemt niet en rent langs de branding.

Leefgebied

Open zee boven het continentaal plat en daarbuiten, vooral langs fronten en opwellingszones waar plankton zich ophoopt; vaak in groepen, soms tussen drijvend zeewier. Draait zwemmend rondjes om prooi naar het oppervlak te halen. Na stormen soms aan de kust, in havens of op binnenwateren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker voor de Pacifische kust, het talrijkst voor Baja California en het westen van Mexico; verder zuidelijk, voor Midden-Amerika, vooral een doortrekker ver uit de kust. In de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt de soort op de toendra van Alaska, Canada, Groenland, Spitsbergen en Siberië en overwintert zij vooral op zee voor de westkust van Zuid-Amerika en Afrika.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vanaf boten ver uit de kust van Baja California en het westen van Mexico zijn in de winter groepen op het water te zien; vanaf het land vooral na aanhoudende wind uit zee. Op zee is de soort te onderscheiden van de grauwe franjepoot aan de lichtere, egaal grijze rug en de dikkere snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot, maar door het leven op zee zijn trends moeilijk te volgen. Olievervuiling en veranderingen in het voedselaanbod op zee zijn mogelijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Phalaropus fulicarius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa fulicaria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaropus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalaropus gaat via het Franse phalarope terug op het Griekse phalaris 'meerkoet' en pous 'voet': net als meerkoeten hebben franjepoten gelobde tenen. fulicarius is afgeleid van het Latijnse fulica 'meerkoet', om dezelfde gelobde tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.