Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Grote bloedstuitbuidelspreeuw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Grote bloedstuitbuidelspreeuw | Cacicus uropygialis

Scarlet-rumped Cacique | Cacique lomiescarlata

De grote bloedstuitbuidelspreeuw is een kleine, geheel zwarte buidelspreeuw met een scharlakenrode stuit die vooral in vlucht te zien is. In het gidsgebied leeft hij in vochtig bos van Honduras tot Panama, waar hij zich vaak aansluit bij gemengde groepen in de boomkronen.

Grote bloedstuitbuidelspreeuw (Cacicus uropygialis)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Gevarieerd: heldere, fluitende tonen zoals een herhaald tsjiewie, vloeiende reeksen en een hard tsjek. Roept veel, ook vanuit dichte kruinen.

Luister: ZangXC1182770

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–23 cm. Geheel glanzend zwart, met een scharlakenrode onderrug en stuit die bij een zittende vogel meestal door de vleugels wordt bedekt. Snavel spits en bleek groenig ivoor. Oog lichtblauw. Vrouwtje kleiner en doffer zwart. Jonge vogels met een donker oog.

Verwarrings­soorten

De geelsnaveltroepiaal Amblycercus holosericeus is ook geheel zwart met een bleke snavel, maar heeft een geel oog, geen rode stuit en leeft laag in dichte ondergroei en bamboe. De geelstuitbuidelspreeuw Cacicus cela, alleen in Panama, heeft gele vleugelvlekken, een gele stuit en een gele staartbasis. De waglers oropendola Psarocolius wagleri is groter en heeft een kastanjebruine kop en een gele staart.

Leefgebied

Kruinlaag en randen van vochtig laagland- en heuvelbos, ook hoog secundair bos en open plekken met bomen, tot ongeveer 1.100 m. Leeft in paren of kleine groepjes, vaak in gemengde groepen. Zoekt insecten tussen bladeren en in trossen dode bladeren. Nestelt alleen of in kleine groepjes, vaak bij wespennesten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van het oosten van Honduras via Nicaragua, Costa Rica en Panama tot in het westen van Colombia en het noordwesten van Ecuador. In Honduras en Nicaragua op de Caribische helling, in Costa Rica en Panama op beide hellingen. Standvogel.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij het opvliegen letten op de rode stuit; in de kruin is de vogel vaak alleen te horen of te zien als een zwart silhouet met een bleke snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Vrij algemeen in vochtig bos. Meer aan bos gebonden dan de andere buidelspreeuwen en daardoor gevoelig voor ontbossing.

Wetenschappelijke naam

Cacicus uropygialis | de Lafresnaye, 1843

De Lafresnaye beschreef de soort in 1843 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cacicus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Cacicus komt van het Spaanse cacique 'opperhoofd', een woord uit het Taíno, naar het opvallende, 'vorstelijke' voorkomen. uropygialis is nieuw Latijn voor 'van de stuit', van uropygium, naar de rode stuit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Bogotá, Colombia.