Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Gevlekte schreeuwuil
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves
Gevlekte schreeuwuil | Megascops trichopsis
Whiskered Screech Owl | Tecolote rítmico
De gevlekte schreeuwuil is een kleine schreeuwuil van eiken- en pijn-eikenbos in de bergen, van het zuidoosten van Arizona tot het noorden van Nicaragua. Hij is een standvogel en het hele jaar door in hetzelfde territorium te horen. De roep, een reeks tonen in een onregelmatig, morseachtig ritme, onderscheidt hem van de andere schreeuwuilen in hetzelfde gebied.
Geluid
Een reeks van vijf tot acht korte, hoge boe-tonen in een onregelmatig ritme, met kortere en langere pauzes, als morsecode: boe-boe-boe, boe-boe, boe. Daarnaast een gelijkmatige reeks tonen in een vast tempo, en tijdens de balts duetten van mannetje en vrouwtje. Het hele jaar te horen, het meest van maart tot juni.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–19 cm, klein, met korte oorpluimen, gele ogen en een grijsgroene tot geelachtige snavel. De meeste vogels zijn grijs; in het zuiden van het verspreidingsgebied komen ook roodbruine vogels voor. De gezichtsschijf is grijs met een donkere rand en lange borstelveren aan de basis van de snavel. De onderdelen hebben grove zwarte lengtestrepen met brede dwarsbanden en grote, onregelmatige zwarte vlekken. De tenen zijn relatief klein. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De westelijke schreeuwuil Megascops kennicottii is groter, heeft een donkere snavel, grotere poten en fijnere tekening op de onderdelen; de zang is een versnellende reeks tonen. De Santa-Barbaraschreeuwuil Megascops barbarus is kleiner, heeft een kortere staart en een korte, snelle triller als zang en leeft in de bergen van Chiapas en Guatemala. De Amerikaanse dwergooruil Psiloscops flammeolus heeft donkere ogen en roestbruine schoudervlekken.
Leefgebied
Eiken- en pijn-eikenbos, vooral in bergkloven, vaak met platanen en jeneverbes langs beekdalen, meestal tussen ongeveer 750 en 2500 meter. In het zuiden ook in vochtiger bos aan de rand van nevelwoud en in schaduwkoffie. Broedt in spechtenholen en natuurlijke holten in eiken en platanen. Jaagt ’s nachts vanaf een tak op grote insecten, zoals kevers, sprinkhanen en nachtvlinders, en op spinnen en duizendpoten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Standvogel in de bergen van Mexico, langs de Sierra Madre Occidental van Sonora en Chihuahua via Sinaloa en Durango naar Nayarit en Jalisco, langs de Sierra Madre Oriental van Coahuila en Nuevo León zuidwaarts, en verder via Michoacán, Guerrero en Oaxaca naar Chiapas. Verder in de hooglanden van Guatemala, El Salvador en Honduras tot in het noorden van Nicaragua, waar de zuidgrens van de verspreiding ligt. Buiten het gidsgebied alleen in het zuidoosten van Arizona en het uiterste zuidwesten van New Mexico.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het meest te horen in eikenbos in de bergen boven Álamos in Sonora, in de Sierra de Picachos in Nuevo León en in de bergen van Durango en Sinaloa langs de weg naar Mazatlán. Na het donker roept hij vaak vanaf een tak in de onderste helft van een eik en laat hij zich met een lamp redelijk goed zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in geschikt bergbos plaatselijk algemeen. Kap van eikenbos en het verdwijnen van oude bomen met holten zijn plaatselijk een bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Megascops trichopsis | (Wagler, 1832)
Wagler beschreef de soort in 1832 als Scops trichopsis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megascops werd in 1848 ingevoerd door Kaup. Megascops combineert het Griekse megas 'groot' met Scops, de oude geslachtsnaam van de dwergooruilen. trichopsis is Grieks, van thrix, trikhos 'haar' en opsis 'gezicht, uiterlijk', naar de lange borstelveren in het gezicht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico (niet nader bepaald).




