Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Dwergdikbekje

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Dwergdikbekje | Sporophila minuta

Ruddy-breasted Seedeater | Semillero pechirrufo

Het dwergdikbekje is een van de kleinste dikbekjes van het gebied. Het mannetje heeft een grijsbruine kruin en rug en een roodbruine stuit en onderzijde; het vrouwtje is vaal okerbruin. Het leeft in grasland en ruig weiland in het laagland, vooral aan de Pacifische kant, van het westen van Mexico tot Panama.

Dwergdikbekje (Sporophila minuta)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zang een snelle, zoete reeks van fluitende en kwetterende tonen, vaak beginnend met enkele heldere, herhaalde tonen. Roep een zacht tsjie.

Luister: ZangXC789192

Opname: Olivier SWIFT — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9–10 cm. Mannetje: kruin, wangen en rug grijsbruin, stuit en hele onderzijde warm roodbruin tot kaneelkleurig; vleugels donker met een klein wit vlekje aan de basis van de handpennen. Snavel kort, dik en donker. Vrouwtje vaal okerbruin, van onderen lichter en warmer okerkleurig, zonder vleugelvlekje; snavel bruinachtig. Jonge mannetjes lijken op vrouwtjes en krijgen geleidelijk roodbruin op stuit en buik.

Verwarrings­soorten

Het mannetje kaneelstuitdikbekje Sporophila torqueola (vooral Mexico) heeft een zwarte kruin en kopzijde, een lichte keel en witte vleugelstrepen. Vrouwtjes lijken sterk op die van andere dikbekjes, zoals het noordelijk bont dikbekje Sporophila corvina en Morelets dikbekje Sporophila morelleti; die van het dwergdikbekje zijn kleiner en warmer okerbruin, en zitten vaak in de buurt van mannetjes.

Leefgebied

Grasland, savanne, ruig weiland, braakliggend land, rijstvelden en de randen van natte graslanden, vooral in het laagland tot ongeveer 1200 m. Eet graszaden. Buiten de broedtijd in groepjes, vaak samen met andere dikbekjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Vooral aan de Pacifische kant, van het westen van Mexico (vanaf ongeveer Nayarit) en het zuiden van Mexico door Guatemala, El Salvador, Honduras, Nicaragua en Costa Rica tot Panama. Buiten het gidsgebied in Colombia, Ecuador, Venezuela, op Trinidad, in de Guyana's en het noorden van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Wordt vooral gezien in de regentijd, als zingende mannetjes in hoog gras en op heggen zitten. Vaak in grazige weilanden en bij rijstvelden in het Pacifische laagland.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Vrij algemeen, maar plaatselijk achteruit door intensieve landbouw en het vangen van vogels voor de kooivogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Sporophila minuta | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia minuta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sporophila werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Sporophila is Grieks, van sporos 'zaad' en philos 'liefhebber': 'zaadliefhebber'. minuta is Latijn voor 'klein', naar het zeer kleine formaat. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.