Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Kraanvogels › Canadese kraanvogel
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Canadese kraanvogel | Antigone canadensis
Sandhill Crane | Grulla canadiense
De Canadese kraanvogel is een grote, grijze kraanvogel met een rode kruin, de enige kraanvogel die geregeld in het gidsgebied voorkomt. Hij broedt in Noord-Amerika en het noordoosten van Siberië en overwintert voor een deel in het noorden van Mexico. Daar verzamelen zich in de winter duizenden vogels rond ondiepe meren op de hoogvlakte, vanwaar ze overdag naar akkers en graslanden vliegen.
Geluid
Een luid, rollend trompetgeluid, garroo-oo-oo, met een sterk gerolde r, dat kilometers ver draagt; vliegende groepen zijn vaak eerder te horen dan te zien. Paren roepen in duet. Jonge vogels geven een hoog, fluitend piepen, ook nog in hun eerste winter.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
86–122 cm; de grootte verschilt sterk tussen de noordelijke, kleinere en de zuidelijke, grotere vormen. Lang, slank en hoogbenig, met een lange hals en een rechte, donkere snavel. Het verenkleed is egaal grijs; de volwassen vogel heeft een kale, rode kruin en een witachtige wang en keel. Veren kunnen roestbruin verkleurd zijn door ijzerhoudende modder, die de vogels bij het poetsen opbrengen. De binnenste armpennen vormen een hangende ‘pluim’ over de staart. Jonge vogels missen de rode kruin en zijn op kop, hals en bovendelen bruiner. Vliegt met gestrekte hals en gestrekte poten, met trage slagen waarbij de opslag snel en kort is; groepen vliegen vaak in lijnen of V-formatie en cirkelen hoog op thermiek.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse blauwe reiger Ardea herodias is ongeveer even hoog, maar vliegt met ingetrokken hals, heeft een gele, dolkvormige snavel en een zwarte kopstreep. De kaalkopooievaar Mycteria americana is wit met zwarte slagpennen en een kale, donkere kop met dikke, gebogen snavel. Andere kraanvogels komen in het gidsgebied niet meer voor.
Leefgebied
In de winter ondiepe zoete en brakke meren en lagunes op de hoogvlakte als slaapplaats, en daaromheen akkers met stoppels van maïs, bonen en graan, natte graslanden en halfwoestijngrasland om te foerageren; vooral tussen 1000 en 2500 m, in het noordoosten ook in het laagland. Foerageert lopend op graankorrels, knollen, zaden, insecten en andere kleine dieren. Overnacht in groepen staand in ondiep water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Wintergast in het noorden van Mexico: vooral in Chihuahua en Durango, met grote slaapplaatsen zoals de Laguna de Babícora en de Laguna de Santiaguillo, en verder in Sonora, Coahuila, Nuevo León, Zacatecas en het noorden van Tamaulipas. Zuidelijker schaars; afzonderlijke dwaalgasten zijn gemeld tot op het schiereiland Yucatán en zelfs in Costa Rica. Buiten het gidsgebied broedt de soort van het noordoosten van Siberië en Alaska over Canada tot de Grote Meren, met standvogelpopulaties in Florida, Mississippi, het zuiden van Georgia en op Cuba; de meeste vogels overwinteren in het zuiden van de Verenigde Staten.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De Laguna de Babícora in Chihuahua is van november tot februari de bekendste plek; de vogels vliegen bij zonsopkomst in groepen van de slaapplaats naar de akkers en keren voor zonsondergang terug. Ook rond Janos in Chihuahua en de Laguna de Santiaguillo in Durango zijn ze geregeld te zien. Op de akkers houden de vogels veel afstand; bekijken vanaf de weg geeft de minste verstoring.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Noord-Amerika in aantal toegenomen. De overwinterende vogels zijn afhankelijk van een klein aantal meren en lagunes, die bedreigd worden door het oppompen van grondwater, droogte en omzetting van grasland naar akkerbouw. Plaatselijk speelt ook jacht een rol.
Wetenschappelijke naam
Antigone canadensis | (Linnaeus, 1758) (GBIF: Grus canadensis)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea canadensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Antigone werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Antigone komt uit de Griekse mythologie: Antigone, dochter van koning Laomedon van Troje, vergeleek haar schoonheid met die van Hera en werd in een ooievaar veranderd. Linnaeus verwarde haar vermoedelijk met Gerana, de koningin van de pygmeeën, die om dezelfde reden in een kraanvogel werd veranderd. canadensis is modern Latijn voor 'uit Canada'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.




