Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Bandstaartbaardkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Bandstaartbaardkolibrie | Threnetes ruckeri

Band-tailed Barbthroat | Ermitaño barbudo colibandeado

De bandstaartbaardkolibrie is een heremiet van de ondergroei van het vochtige laaglandbos, herkenbaar aan een zwartachtige keel met een kaneelkleurige band eronder en een staart met veel wit. Het is de enige baardkolibrie in het gidsgebied. Zoals andere heremieten vliegt hij een vaste route langs verspreide bloemen, vooral heliconia's.

Bandstaartbaardkolibrie (Threnetes ruckeri)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hoog, scherp tsiep. De zang is een snelle, hoge, piepende reeks tonen die stijgt en daalt, vaak vanaf een lage tak in de ondergroei.

Luister: ZangXC954849

Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm, met een lange, licht gebogen snavel van ongeveer 3 cm; de ondersnavel is aan de basis geel. De bovendelen zijn bronsgroen. Keel en gezicht zijn zwartachtig, met een buffkleurige baardstreep en een lichte streep achter het oog; onder de keel loopt een kaneelkleurige borstband, de buik is grijs. De afgeronde staart is wit aan de basis van de buitenste pennen, met een brede zwarte band en witte punten; de middelste pennen zijn groen. Mannetje en vrouwtje zijn vrijwel gelijk.

Verwarrings­soorten

De bronzen heremietkolibrie Glaucis aeneus en de roodborstheremietkolibrie Glaucis hirsutus hebben egaal roestbruine onderdelen zonder donkere keel en een roestbruine staart zonder wit aan de basis. De westelijke langstaartheremietkolibrie Phaethornis longirostris en de kleine streepkeelheremietkolibrie Phaethornis striigularis hebben een lichte keel en verlengde, witgetipte middelste staartpennen. De haaksnavelkolibrie Eutoxeres aquila heeft een sterk haakvormige snavel en gestreepte onderdelen.

Leefgebied

Ondergroei en randen van vochtig laagland- en heuvelbos, secundair bos, heliconiabosjes langs beken en open plekken in het bos, van zeeniveau tot ongeveer 900 m. Foerageert langs een vaste route aan heliconia's en andere bloemen met een lange kelk, en zoekt kleine geleedpotigen tussen het blad. Het nest hangt aan de onderkant van een heliconia- of palmblad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Aan de Caribische kant van het zuiden van Belize en het oosten van Guatemala via Honduras en Nicaragua tot Costa Rica; in Costa Rica aan de Caribische helling en in het zuiden van de Pacifische helling, in Panama aan beide kanten van west tot oost. In Costa Rica en Panama vrij algemeen, noordelijker schaarser en plaatselijk. Buiten het gidsgebied in het noorden en westen van Colombia, het noordwesten van Venezuela en het westen van Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij heliconia's langs beken en bosranden in de Caribische laaglanden van Costa Rica, zoals rond Sarapiquí, en langs de bospaden van het Kanaalgebied in Panama. De zang klinkt vaak vanaf een lage, beschutte tak; de vogel zelf valt meestal pas op wanneer hij voor een bloem zweeft.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Verdraagt secundair bos en bosranden, zolang er ondergroei met geschikte bloemen is.

Wetenschappelijke naam

Threnetes ruckeri | (Bourcier, 1847)

Bourcier beschreef de soort in 1847 als Trochilus Ruckeri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Threnetes werd in 1852 ingevoerd door Gould. Threnetes is Grieks, van thrēnētēs 'rouwklager', dus 'somber', naar het doffe verenkleed. ruckeri eert de Engelse koopman, kolibrieverzamelaar en kunstverzamelaar Sigismund Rucker (1815–1890). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit onbekend.