Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Roodborstheremietkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Roodborstheremietkolibrie | Glaucis hirsutus

Rufous-breasted Hermit | Ermitaño pechicanelo

De roodborstheremietkolibrie behoort tot de heremieten, dof gekleurde kolibries met een lange, gebogen snavel die in de ondergroei van het bos leven. In plaats van een territorium te verdedigen, vliegt hij een vaste route langs verspreide bloemen. Panama is de noordwestgrens van een groot verspreidingsgebied in Zuid-Amerika; westelijker neemt de bronzen heremietkolibrie zijn plaats in.

Roodborstheremietkolibrie (Glaucis hirsutus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, doordringend swiet, vaak in de vlucht wanneer de vogel langs zijn route schiet.

Luister: VluchtroepXC257787

Opname: John V. Moore — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–12 cm, met een lange, sterk gebogen snavel van ruim 3 cm; de bovensnavel is zwart, de ondersnavel geel met een donkere punt. De bovendelen zijn bronsgroen, de onderdelen egaal roestbruin. De kop toont een donkere oogstreep tussen een lichte streep erboven en een lichte baardstreep. De afgeronde staart is roestbruin met een zwarte band voor de witte punten; de middelste pennen zijn groen. Het vrouwtje is iets doffer en heeft een kortere, sterker gebogen snavel.

Verwarrings­soorten

De bronzen heremietkolibrie Glaucis aeneus van het westen van Panama en Costa Rica is vrijwel gelijk, maar heeft koperachtiger bronzen bovendelen en donkerder roestbruine onderdelen. De bandstaartbaardkolibrie Threnetes ruckeri heeft een zwartachtige keel, een kaneelkleurige borstband en een grijze buik. De westelijke langstaartheremietkolibrie Phaethornis longirostris, de bleke heremietkolibrie Phaethornis anthophilus en de kleine streepkeelheremietkolibrie Phaethornis striigularis hebben verlengde, witgetipte middelste staartpennen.

Leefgebied

Ondergroei van vochtig bos en secundair bos, bosranden, heliconiabosjes en ravijnen, vaak langs stromend water; ook schaduwrijke cacaoplantages en tuinen aan de bosrand, van zeeniveau tot ongeveer 900 m. Bezoekt vooral bloemen waarvan de kelk past bij de lengte en kromming van de snavel, zoals heliconia's, en eet daarnaast kleine geleedpotigen. Het kleine nest hangt aan de onderkant van een overhangend blad, één tot twee meter boven de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in Panama, aan beide kanten van het land, vooral van Coclé, Colón en het Kanaalgebied oostwaarts tot Guna Yala en Darién, waar de soort vrij algemeen is. Westelijker, in Veraguas en Bocas del Toro, schaars, en daar grotendeels vervangen door de bronzen heremietkolibrie. Buiten het gidsgebied door het noorden en midden van Zuid-Amerika tot Bolivia en Brazilië, en op Trinidad, Tobago en Grenada.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs bospaden in het Kanaalgebied, zoals de Pipeline Road in het Nationaal Park Soberanía, en in het laagland van Darién. Bij een bloeiende heliconia in de ondergroei is de kans het grootst: de vogel keert op zijn route regelmatig terug.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en algemeen en verdraagt secundair bos en plantages, zolang er ondergroei met geschikte bloemen is.

Wetenschappelijke naam

Glaucis hirsutus | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Trochilus hirsutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Glaucis werd in 1831 ingevoerd door Boie. Glaucis komt van het Griekse glaukos 'blauwgrijs, grijsgroen', naar het doffe, groenachtige verenkleed. hirsutus is Latijn voor 'harig, ruig', mogelijk naar het ruige, onopvallende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noordoost-Brazilië.