Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse grijze ruiter

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Amerikaanse grijze ruiter | Tringa incana

Wandering Tattler | Playero vagabundo

De Amerikaanse grijze ruiter is een effen leigrijze steltloper van rotskusten, die met het achterlijf wipt zoals een oeverloper. Hij broedt langs bergbeken in Alaska en het noordwesten van Canada en overwintert langs de kusten en op eilanden rond de Grote Oceaan. In het gidsgebied is hij een wintergast langs de Pacifische kust en op de eilanden voor die kust.

Amerikaanse grijze ruiter (Tringa incana)
Foto: Wildreturn — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een snelle, heldere, fluitende triller van gelijke tonen, wie-die-die-die-die, vaak bij het opvliegen; de reeks wordt naar het einde toe soms sneller.

Luister: RoepXC761968

Opname: Logan McLeod — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

26–29 cm, vrij gedrongen, met een middellange, rechte, donkere snavel en korte, geelachtige poten. In het winterkleed egaal donker leigrijs van boven, op kop, borst en flanken, met een witte buik, een witte wenkbrauwstreep voor het oog en een donkere oogstreep. In broedkleed is de onderzijde dicht donker gebandeerd. Jonge vogels hebben fijne lichte randjes aan de bovendelen. In de vlucht egaal donker, zonder vleugelstreep of witte stuit. Wipt met het achterlijf en loopt behendig over natte rotsen in de branding.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse oeverloper Actitis macularius wipt ook, maar is kleiner, bruiner, heeft een witte inham voor de vleugel en een witte vleugelstreep. De willet Tringa semipalmata is groter en lichter grijs, met dikke blauwgrijze poten en in de vlucht een zwart-wit vleugelpatroon. De brandingloper Calidris virgata heeft een korte, dikke snavel met gele basis, gevlekte flanken en in de vlucht een witte vleugelstreep en witte stuit.

Leefgebied

Rotskusten, rotsige kapen en golfbrekers, rotseilandjes en kliffen in de branding, plaatselijk ook pieren, havens en stranden met rotsen. Zoekt tussen wier en zeepokken naar krabben, wormen en weekdieren in de spatzone. Meestal alleen of met enkele vogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Wintergast langs de Pacifische kust van Baja California, de Golf van Californië en het westen van Mexico, zuidelijk via de Pacifische kust van Midden-Amerika tot Panama, en op eilanden voor de kust, zoals de Revillagigedo-eilanden en het Isla del Coco. Aan de kant van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zeer zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt de soort in Alaska, het noordwesten van Canada en het noordoosten van Siberië en overwintert zij langs de Pacifische kust van Noord- en Zuid-Amerika tot in Ecuador, op de Galápagos en op eilanden in de Grote Oceaan tot Australië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rotskapen en golfbrekers langs de Pacifische kust zijn de plek om de soort te vinden, bijvoorbeeld bij laag water. De vogels vallen tegen de donkere rots weg; de roep bij het opvliegen en het wippen helpen bij het vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is klein maar wijdverspreid; door het afgelegen broedgebied en de verspreide wintergebieden zijn trends lastig te meten. Olievervuiling langs rotskusten is een mogelijke bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Tringa incana | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax incana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. incana is Latijn, van incanus 'grijs, grauw', naar het egaal leigrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Moorea (Genootschapseilanden) en Palmerston (Cookeilanden).