Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine geelpootruiter
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Kleine geelpootruiter | Tringa flavipes
Lesser Yellowlegs | Archibebe patigualdo chico
De kleine geelpootruiter is een slanke, fijngebouwde ruiter met lange, felgele poten. Hij broedt in de boreale zone van Alaska en Canada en trekt via het gidsgebied naar Zuid-Amerika; veel vogels overwinteren ook in Mexico en Midden-Amerika. Buiten de broedtijd foerageert hij vaak in groepen, op zoet en brak water.
Geluid
Een zacht, vlak tuu of tuu-tuu, meestal met één of twee tonen; zachter en minder dringend dan de reeks van de grote geelpootruiter. Bij onrust ook een herhaald kip.
Opname: Tony Rinaud — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
23–25 cm, slank, met een rechte, dunne, donkere snavel van ongeveer kopslengte en lange, felgele poten. In het winterkleed grijsbruin van boven met fijne witte stippen, een fijn gestreepte grijze hals en borst, een witte buik, een witte oogring en een lichte streep tussen snavel en oog. In broedkleed zwarter op de rug, met zwarte en witte vlekken en meer strepen op hals en borst. Jonge vogels zijn bruiner, met lichte stippen op de bovendelen. In de vlucht een vierkante witte stuit, een fijn gebandeerde staart, geen vleugelstreep en uitstekende gele poten.
Verwarringssoorten
De grote geelpootruiter Tringa melanoleuca is groter en zwaarder, met een langere snavel (ongeveer anderhalf keer de kopslengte), die vaak licht opgewipt is en een grijzige basis heeft, en roept luider, in reeksen van drie of vier tonen; in gemengde groepen helpt het formaatverschil. De Amerikaanse bosruiter Tringa solitaria heeft groenige poten en een donkere stuit, de steltstrandloper Calidris himantopus een licht gebogen snavel en groenige poten, en de grote franjepoot Phalaropus tricolor een naaldfijne snavel en kortere poten.
Leefgebied
Ondiepe randen van zoete en brakke lagunes, natte graslanden, ondergelopen weiden, rijstvelden, garnalenvijvers, zoutpannen, slikken en de randen van meren en stuwmeren, van het laagland tot op de hoogvlakte. Loopt actief door ondiep water en pikt insecten, kreeftjes en kleine visjes van het oppervlak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Doortrekker en wintergast in het hele gidsgebied, van Baja California en het noorden van Mexico tot Panama, aan beide kusten en in het binnenland; tijdens de trek in augustus en september het talrijkst. Buiten het gidsgebied broedt de soort in Alaska en Canada en overwintert zij van het zuiden van de Verenigde Staten en het Caribisch gebied tot in Argentinië en Chili.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Natte weilanden, rijstvelden en garnalenvijvers met groepen steltlopers zijn de plek om de soort te zoeken, vaak samen met grote geelpootruiters, wat een goede gelegenheid biedt om het formaat en de snavel te vergelijken.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De wereldpopulatie is in enkele decennia sterk afgenomen. Als oorzaken gelden verlies van pleisterplaatsen en wintergebieden, veranderingen in het broedgebied en de jacht in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika, waar tijdens de herfsttrek grote aantallen steltlopers worden geschoten. In het gidsgebied gaan natte graslanden en lagunes verloren door drooglegging en de aanleg van garnalenkwekerijen.
Wetenschappelijke naam
Tringa flavipes | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax flavipes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. flavipes is Latijn, van flavus 'geel' en pes 'voet', naar de gele poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York.





