Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Zwarte tangare

Zwarte tangare | Tachyphonus rufus

White-lined Tanager | Tangara filiblanca

De zwarte tangare is op Trinidad en Tobago een van de bekendste tangares van tuinen, erven en bosranden. Mannetje en vrouwtje verschillen zo sterk dat ze voor twee soorten kunnen doorgaan: hij is glanzend zwart, zij egaal roodbruin. De Engelse naam verwijst naar de witte lijn langs de vleugelboeg, die vooral in de vlucht zichtbaar is. Op Trinidad en Tobago wordt het mannetje Parson genoemd en wordt de soort om haar zang ook als kooivogel gehouden.

Zwarte tangare (Tachyphonus rufus)
Foto: Joseph C Boone — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, scherp tsjip. De zang bestaat uit eenvoudige gefloten tonen die snel en eentonig worden herhaald, vaak lang achter elkaar vanaf een beschutte zitplaats.

Luister: RoepXC1136822

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–19 cm, slank, met een vrij lange staart en een stevige, puntige snavel die grotendeels zwart is, met een blauwgrijze basis van de ondersnavel. Het mannetje is geheel glanzend zwart. De ondervleugeldekveren zijn wit, en op de bovenvleugel zit een kleine witte vlek bij de boeg; in zit is daar vaak alleen een smalle witte streep van te zien, in de vlucht flitst het wit duidelijk op. Het vrouwtje is egaal roestbruin, aan de onderkant iets lichter. Jonge vogels lijken op het vrouwtje; jonge mannetjes krijgen geleidelijk zwarte veren.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de glanskoevogel Molothrus bonariensis is purperachtig glanzend zwart, heeft een kortere, kegelvormige snavel en geen wit in de vleugel. De caribische troepiaal Quiscalus lugubris heeft een geel oog en een langere, wigvormige staart. Het mannetje van de witschoudertangare Loriotus luctuosus is kleiner en heeft een grote, ook in zit zichtbare witte schoudervlek. Het roodbruine vrouwtje kan lijken op het vrouwtje van de fluweeltangare Ramphocelus carbo, dat donkerder en roder bruin is, met een donkerder buik, en op de rode miertangare Habia rubica, die bruiner is en een gele kruinstreep heeft.

Leefgebied

Halfopen landschap: bosranden, open plekken en secundair bos, cacao- en fruitplantages, erven en tuinen, van het laagland tot in de heuvels. Vrij onrustig maar weinig schuw. Paren leven in een eigen territorium en sluiten zich zelden aan bij gemengde groepen. Het voedsel bestaat vooral uit vruchten, aangevuld met nectar en insecten zoals kevers, mieren en sprinkhanen. Het nest is een vrij grote kom in een boom of struik; het vrouwtje broedt meestal drie eieren uit. Bij de balts opent en sluit het mannetje de vleugels, waarbij het wit van de ondervleugel zichtbaar wordt.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad en Tobago, op beide eilanden algemeen. Verder van Costa Rica en Panama door een groot deel van Zuid-Amerika tot in het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel elke tuin of bosrand op Trinidad en Tobago is kansrijk, bijvoorbeeld rond het Asa Wright Nature Centre in de Northern Range, waar de vogels ook bij voederplaatsen komen. Paren blijven vaak bij elkaar; een egaal roodbruine vogel in gezelschap van een zwarte is vrijwel zeker een paar van deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en profiteert van halfopen, door de mens gevormd landschap. Op Trinidad en Tobago worden vogels gevangen voor de kooivogelhouderij; over de invloed daarvan op de aantallen is weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Tachyphonus rufus | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Tangara rufa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachyphonus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Tachyphonus is Grieks, van takhus 'snel' en phōneō 'spreken, geluid maken': 'snelle prater'. rufus is Latijn voor 'roodbruin', naar het roestbruine vrouwtje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.